Het beest in beeld

ERIC HAMBURG (ed.): Nixon. An Oliver Stone Film

Screenplay bij Stephen J. Rivele, Christopher Wilkinson and Oliver Stone

566 blz., geïll., Hyperion 1995, ƒ 31,85 (pb)

Sinds zijn film over de moord op president Kennedy in 1991 in première ging woedt er tussen Oliver Stone en de historici een kleine koude oorlog. Stone beweert de geschiedenis beter te snappen dan degenen die er hun vak van hebben gemaakt. In tegenstelling tot deze vakidioten zou hij, om tot de kern van bepaalde gebeurtenissen en personen door te dringen, verbeelding en intuïtie inschakelen en daarmee op zoek gaan naar een hogere waarheid dan de zogeheten officiële versie van de geschiedenis heeft te bieden.

Van hun kant verwijten historici Stone dat hij onder het mom van artistieke vrijheid een loopje met de feiten neemt en wat eens werkelijkheid was zodanig vervormt dat ze volkomen onherkenbaar en onaannemelijk wordt. Stone zou bovendien een verborgen agenda hanteren, voornamelijk bestaande uit het streven Amerikanen te bekeren tot het inzicht dat ze tot hun laatste snik worden gemanipuleerd door een kleine groep machthebbers wier werkzaamheden zich aan de normale waarneming onttrekken.

Over één ding zijn de meeste critici het ook eens: als filmer beschikt Stone over een opmerkelijk talent, juist dàt maakt hem extra gevaarlijk. Een democratie floreert bij een mondige, verlichte burgerij. Steeds meer burgers ontlenen hun kennis echter vrijwel uitsluitend aan film en televisie. Wat we zien is waar, want we zien het. Daarom zouden degenen die zich van deze media bedienen uiterst zorgvuldig met hun verantwoordelijkheid moeten omgaan.

Missie

Volgens zijn tegenstanders doet Stone precies het tegendeel: hele en halve leugens worden in fraaie beelden verwerkt en met zijn quasi-diepzinnigheid ondermijnt hij het vertrouwen in de publieke zaak, dat toch al gering is. Commerciële doeleinden spelen volgens deze redenering een niet te onderschatten rol. Geld verdien je door spektakel te maken en aandacht te trekken, of door de indruk te wekken dat je bent bezeten door een missie.

Stone maakt er inderdaad geen geheim van wel iets meer te willen zijn dan regisseur: hij belijdt de rebellie, schopt tegen het establishment aan, tegen gevestigde meningen, tegen de gevestigde geschiedenis. Als een ouderwetse muckraker in een nieuwe jas onthult hij, stelt aan de kaak en schudt wakker. Wie zijn films bekijkt kan pas begrijpen hoe het er echt aan toe gaat in de wereld, hoe brave burgers in de waan worden gelaten dat de Amerikaanse droom binnen handbereid ligt. Niet hij is een gevaar voor de democratie, maar het huurleger criticasters en pedante historici dat zijn werk voortdurend belaagt. Zo ziet Stone het.

Eigenlijk is het geen wonder dat Stone zich uitgerekend tot Richard Nixon voelde aangetrokken. In vraaggesprekken gaat hij daar graag op in. Met Nixon deelt hij een weerzin jegens The Best & Brightest, of om het preciezer te zeggen: jegens de zelfingenomen, arrogante, welgestelde dames en heren aan de oostkust. Er is meer. Niet alleen herkent hij in Nixon bepaalde trekken van zichzelf, hij ziet ook zijn vader in de president terug. Een effectenmakelaar op Wall Street die failliet ging en daardoor gedwongen was Oliver van een dure kostschool te halen, met als gevolg dat Oliver werd verjaagd uit het paradijs van de elite. Stone senior bewonderde Nixon hevig en bracht zijn stem op hem uit; thuis liepen de gevoelens tussen vader en zoon hierover hoog op, want een Republikein was Oliver bepaald niet. Maar nu, zegt Stone, ben ik rijper geworden en kan ik wat beter begrijpen waarom my old man bewondering had voor die rare snijboon in het Witte Huis.

Toen hij had besloten een film over Nixon te maken - met een budget van ruim veertig miljoen dollar -, wierp Stone zich met zijn gebruikelijke energie op al wat over Nixon geschreven was. Hij onderhield zich uitvoerig met oud-medewerkers van de president teneinde Nixons geestelijke en lichamelijke mimiek te doorgronden. (Nixon zelf overleed in april 1994.) Studie en gesprekken konden volgens Stone slechts leiden tot de slotsom dat Nixon Amerika's belangrijkste politicus van na de Tweede Wereldoorlog is geweest, maar tegelijk de meest gekwelde en ondanks of misschien juist door de stortvloed aan publikaties vrijwel niet te ontraadselen.

Een poging daartoe kan natuurlijk wel worden ondernomen, al was het maar omdat de Amerikanen zichzelf pas zullen begrijpen als ze Nixon begrijpen. Tom Wicker noemt zijn biografie van de president volgens Stone terecht One of us. Om Wickers inmiddels beroemde woorden te citeren: Kennedy was wat Amerika graag zou willen zijn, Nixon wat het is.

Aan Stones film ligt uiteraard een script ten grondslag, vrijwel tegelijk met de première is het in boekvorm verschenen. Wie er tegenop ziet ruim drie uur met wildvreemden in een pikdonkere zaal te zitten, kan nu dus ook thuis lezen hoe Oliver Dick ontleedt. Met die mededeling beginnen script en film: wat men te zien of te lezen krijgt is een 'attempt to understand the truth of Richard Nixon', een poging die is gebaseerd op onvolledig historisch materiaal.

De makers geven daarmee aan dat nog slechts een gering deel van de Watergate-tapes voor bestudering is vrijgegeven en impliciet dat wie de waarheid omtrent het koningsdrama van Nixon probeert te achterhalen wel op de eigen verbeelding is aangewezen. Stone begeeft zich daarom onverantwoord op het gladde ijs van de fantasie dat historici liever mijden. Hij wil niet zozeer reconstrueren alswel interpreteren. En is iedere reconstructie niet tegelijk interpretatie? Is niet alle geschiedenis fictie?

Men moet, vindt hij, daarom niet zeuren over de waarheid (welke?) die geweld wordt aangedaan. Stone beweert bovendien met zijn film historici een onschatbare dienst te bewijzen. 'Ik probeer te provoceren, een debat op gang te brengen, en door dat debat, door mijn opzettelijke verdraaiingen zullen de bevoegde instanties zich waarschijnlijk gedwongen achten veel meer documenten over de regering-Nixon vrij te geven dan tot op heden is gebeurd,' zo luidt zijn redenering. Helemaal onzin is dat niet, want mede door de controverse die JFK opriep, is er wel degelijk nieuw materiaal over de moord ter beschikking van de liefhebbers gekomen. Niet dat zij er veel wijzer door zijn geworden, maar dat is een tweede.

Steekproef

Bij raadpleging van het script valt meteen de overvloed aan voetnoten op. Voetnoten zoals de echte historici die gebruikt om aan te tonen dat hij bronnen en literatuur kent en zo weinig mogelijk uit de duim heeft gezogen. Het vermoeden rijst dat Stone zich ervan bedient om critici uit de historische wereld de laatste wapens uit handen te slaan. Hij blijkt opeens niet alleen artistiek begaafd, ook geleerd, een toonbeeld van ijver.

Nu is het onder historici een goede gewoonte af en toe te controleren of de noten ook kloppen, Doet het materiaal waarnaar wordt verwezen terzake en is het goed verwerkt? Is Stone, zo opgevat, een volleerd historicus? Een steekproef. In het scenario verschijnt Nixon (die in de film trouwens zo van zichzelf is vervreemd dat hij over de eigen persoon in de derde naamval spreekt) als een grofgebekte zuipschuit. Woorden als cocksucker vloeien de president gemakkelijk over de lippen, maar nog meer houdt hij van alcohol. Er is natuurlijk niets op tegen om in een vie romancée, waarmee deze film enigszins is te vergelijken - al wekt romancée de verkeerde indruk - de hoofdrolspelers karakteraanpassingen te laten ondergaan, zolang dat bij kijkers en lezers tot beter begrip leidt. Iets anders wordt het als je naar bestaande literatuur verwijst om de juistheid van het beeld dat je oproept te staven.

Om te bewijzen dat Nixon wel degelijk tegen de klippen op dronk plaatst Stone in het script een voetnoot waarin de lezer wordt aangeraden hierover onder meer te raadplegen de driedelige biografie over Nixon van Stephen Ambrose, deel 2, pag. 84-85. Als gewetensvolle lezer doe je wat Stone opdraagt. Wat blijkt? Ambrose zegt op de bewuste bladzijden het tegenovergestelde van wat Stone ons wil doen geloven. Er staat: “Bij alle problemen waar Nixon mee worstelde, en lieve hemel, wat waren dat er veel, hoorde geen alcohol.” Op z'n minst wordt de lezer daardoor in verwarring gebracht, Ambrose zelf trouwens ook. In een lang artikel dat in januari van dit jaar in The Washington Post verscheen, beklaagt Ambrose zich er niet ten onrechte over door Stone te zijn misbruikt en hij is lang de enige niet. Alcohol en andere 'waarheden' in het scenario noemt Ambrose ronduit belachelijk, en hij besluit zijn stuk daarom met een soort geloofsbelijdenis: “Ik ben van mening dat historici een verplichting hebben tegenover de integriteit van het verleden. Het is hun verantwoordelijkheid dat verleden zo eerlijk en volledig mogelijk weer te geven. Gemeten naar die standaard schiet Stone te kort.”

Het is niet moeilijk te bedenken wat Stone hierop voor antwoord zou geven, en misschien heeft hij dat inmiddels al gedaan. Wat hem evenwel vooral zal bevallen is dat niet alleen Ambrose over hem is heengevallen, maar dat tal van anderen door negatieve kritiek de film gratis publiciteit hebben gegeven. Het doet er niet toe wat ze over je zeggen, àls ze maar iets zeggen, dat is waarschijnlijk ook Stones devies. (Toegegeven, het is gissen, maar gissen mag van hem.) Nixon roept in de film telkens uit: “Waarom haten ze mij toch?” Stone roept heel hard hetzelfde.

Behalve historici hebben Nixons dochters zich beklaagd, John Ehrlichman is in de pen geklommenen, uiteraard deed ook Henry Kissinger, die in het script bepaald niet wordt opgehemeld, een duit in het zakje. Kissinger onderstreept nog eens Stone een gezwel te vinden. Diens technisch perfecte Nixon kan slechts het produkt van een verziekte geest zijn, aldus Kissinger, en hij stelt vervolgens de retorische vraag: “Wat zullen uiteindelijk de gevolgen voor onze democratie zijn van deze overwinning van de techniek op de inhoud?”

Zodra Kissinger zich ermee gaat bemoeien, krijg je weer bijna sympathie voor Oliver Stone. Maar die verdwijnt op slag bij inspectie van Stones kameraden. Eén van hen is Christopher Wilkinson, samen met Stephen Rivele en Stone zelf de schrijver van het scenario. De gepubliceerde versie ervan wordt voorafgegaan door een dertiental korte essays over Nixon van diverse auteurs, onder wie deze Wilkinson. Zijn bijdrage is verhelderend als een koortsdroom. De constatering dat Nixon een bijzonder vreemde vogel was, zal niemand hem betwisten. Daarbij blijft het echter niet. Tijdens zijn onbeschaamde klimtocht naar het presidentschap zou Nixon op beslissende momenten zijn geholpen - niet door zijn eigen inspanningen of sluwheid, niet door God of toeval, maar door iets ondefinieerbaars, iets buitengewoon griezeligs, 'some thing' dat de filmmakers aanduiden met The Beast. Dat beest, zo legt Wilkinson uit, is een metafoor voor alle kwaadaardige elementen in de Amerikaanse samenleving ten tijde van de Koude Oorlog: geheime inlichtingendiensten, de FBI van de vreselijke J. Edgar Hoover, de defensie-industrie, georganiseerde misdaad, het grote zakenleven. Mensen en instellingen met schijnbaar verschillende agenda's, maar wier belangen volgens Wilkinson op gezette tijden samenvloeien.

Ze vloeiden bijvoorbeeld samen in de persoon van Richard Nixon, de politicus die er zijn beroep van maakte te liegen en te schoppen, de man die zijn geweten trachtte te sussen met drank en pillen en onderwijl dood zaaide in het buitenland en verderf in het binnenland. Nixon was de belichaming van het Beest, maar - en dat is de bijzondere draai in het script - hij was er tegelijk het slachtoffer van. Hij deed een beroep op en profiteerde van duistere machten, die hij uiteindelijk zelf niet langer kon beheersen. Het Beest zou ook Nixon verslinden.

Verwarring

Hier zijn we beland op een terrein dat wordt gekenmerkt door wat Richard Hofstadter - inderdaad: een politicus - ooit de paranoïde stijl in de Amerikaanse politiek heeft genoemd. Het heilig geloof, in zwang vanaf het begin van de Amerikaanse republiek, dat ergens door bepaalde groepen een samenzwering wordt beraamd, zo gigantisch van omvang dat het ons voorstellingsvermogen ver te boven gaat. Anders gezegd, Stone & Co passen met hun theorie over het Beest dat door de Amerikaanse geschiedenis waart in een lange traditie - een traditie die ze met films over twee legendarische presidenten overtuigend bevestigen en in stand houden. De extra versiering is hun welhaast maniakale poging om het publiek in te prenten dat er tussen Dallas en Watergate een verbinding bestaat die vanzelfsprekend haar oorsprong vindt in de machinaties van het Beest.

Lezing van het script en het bekijken van de film brengen een zo grote verwarring teweeg dat je ten slotte vermoedt dat ook Stone in het complot is betrokken. Door de karikaturale voorstelling van het Beest wordt het wel heel moeilijk in het bestaan ervan te geloven, waardoor het de kans krijgt nieuwe slachtoffers te maken of te verschijnen in de gedaante van nieuwe presidentskandidaten. Is Patrick Buchanan niet een oud-medewerker van Nixon? Of ligt de boodschap van Stone besloten in de woorden die hij voorzitter Mao in 1972 tegen de Amerikaanse president laat zeggen: “De echte oorlog woedt in onszelf. Geschiedenis is slechts het symptoom van onze ziekte.” Zelfs historici kunnen daar wellicht mee instemmen. Als politiek mensenwerk is moet het maar worden verricht door zo stabiel mogelijke mensen, door politici die in tegenstelling tot de Nixon van Stone hun loopbaan niet beschouwen als de laatste kans zich op een beroerde jeugd te revancheren.

    • A. Lammers