Gaza

ANJA MEULENBELT: Dagen in Gaza

172 blz., Van Gennep 1995, ƒ 29,90

Wat voor indruk maakt het op een kind als zijn vader en moeder in zijn aanwezigheid worden afgetuigd door soldaten die het huis zijn binnengedrongen? Zijn ouders, die hij groot en sterk had gedacht, blijken onmachtig om zelfs maar zichzelf en hun territorium te beschermen. Zij verliezen op angstaanjagende wijze alle autoriteit. Gestoorde ouder-kindrelaties, angsten, agressie en concentratiestoornissen op school kunnen het gevolg zijn. Dit soort psychische problemen en vele andere zijn er te over bij de Palestijnen in de bezette gebieden, als gevolg van bijna zes jaar intifadah tegen de Israelische bezetters. Met name in Gaza, dat door zijn afgelegen ligging en afgesloten karakter wel met een grote gevangenis is vergeleken en waar de intifadah het meest verbeten heeft gewoed.

Het Gaza Community Mental Health Programme van de psychiater Iyad Sarraj voerde in 1993 een onderzoek uit onder 1500 kinderen met een gemiddelde leeftijd van elf jaar. 97 Procent van hen maakte aanvallen met traangas mee en 95 procent huis-zoekingen, 52 procent is door Israelische soldaten geslagen. 11,2 procent zat gevangen. Van 3 procent is een gezinslid gedood en van 1,2 procent is het huis bijwijze van strafmaatregel met de grond gelijk gemaakt. Van de 1500 kinderen is 60 procent hyperactief, zoekt 22 procent voortdurend ruzie en reageert 38 procent overagressief op alle prikkels. 30 Procent plast nog in bed en 38 procent heeft de neiging zich te isoleren.

De cijfers staan in het boek Dagen in Gaza van Anja Meulenbelt, dat de weerslag is van een bezoek dat zij er rond de kerstdagen van 1994 bracht op uitnodiging van Artsen zonder Grenzen. Zes dagen doorkruiste ze de acht kilometer brede en 45 kilometer lange strook en sprak ze met een flink aantal meest 'gewone' mensen en hulpverleners.

Het is geen opwekkend boek geworden. De trauma's van 28 jaar bezetting, waarvan zes jaar intifadah, zijn alomtegenwoordig en diep. Armoede, economische afhankelijkheid, overbevolking, de afwezigheid van de meest elementaire infrastructuur in de vorm van redelijke wegen, behoorlijke drinkwatervoorziening of een rioleringssysteem dringen zich op. De woonsituaties, vooral in de vluchtelingenkampen, zijn abominabel; scholen en klinieken zijn verouderd en overvol. Industrie en citrusteelt zijn door jarenlange sabotage door de Israeli's aan de rand van de afgrond beland.

Meulenbelt gebruikt deze gegevens als decor voor haar schildering van het leven in Gaza nu, in de huidige schemerige fase van Palestijnse autonomie. De Israeli's die de grenzen beheersen en letterlijk de poorten dicht kunnen doen, een Palestijns bestuur dat klunzig en onervaren overkomt, onduidelijke perspectieven voor economische en bestuurlijke verbeteringen. Vooral put ze zich echter uit in beschrijvingen hoe mensen met deze gegevens omgaan. Daaruit blijkt dat vrolijkheid en optimisme in Gaza schaarse goederen zijn. Teveel mensen hebben (psychische) averij opgelopen, teveel carrières zijn nooit van de grond gekomen. De sfeer van onderlinge solidariteit tegen de gemeenschappelijke vijand, die Gaza kenmerkte tijdens de intifadah, blijkt plaats te hebben gemaakt voor een tijd van het likken van de wonden. Maar dan zonder dat vooralsnog zekerheid bestaat dat die wonden ook de kans zullen krijgen te helen.

Meulenbelt geeft hiervan een intelligente en leesbare beschrijving. Als 'groentje' in deze omgeving verdient ze zonder meer een compliment voor haar invoelingsvermogen. Hetzelfde geldt trouwens voor haar terloopse observaties over de positie van de vrouw. Gaza liet haar na die zes dagen niet meer los, schrijft ze. Terecht. Het is een plaats om nooit te vergeten.