Ga spelen

Op de ochtend van de 23ste februari om precies vijf over negen op de hoek van de Paulus Potterstraat en de Van Baerlestraat in Amsterdam schudden twee Turken elkaar hartelijk de hand. Beiden waren winters aangekleed, er woei daar een gure wind, voor de stoep van het Stedelijk Museum lag nog de langgerekte rest van een sneeuwduin, maar voor het eerst in 1996 wisten de mensen die een scherp instinct voor de wisseling der jaargetijden hebben, dat het voorjaar in de lucht zat.

Er voegde zich nog een Turk bij het tweetal, weer handen schudden, klap op de schouders. De drie heren, in de kracht van hun leven, of sterker: midden dertig, in de leeftijd van de hoogste onkwetsbaarheid, was het aan te zien dat ze zich op een veelbelovend seizoen verheugden. Het was, in dit Hollandse baksteendecor een mediterraan tafereel.

Zoiets werkt aanstekelijk. Op de tramhalte zag ik een gewaardeerde collega. We drukten elkaar de hand. Michel Simon was ik, en hij Jean-Paul Belmondo. Niet spitting image, misschien had ik liever Jean Gabin willen zijn, maar je hebt niet alles voor het zeggen. Op de routineuze manier die Fransen eigen is, wisselden we de gedachten van de dag, maakten af en toe dat losse handgebaar waarbij we de kin even optilden, en voor de tram drie haltes verder was waren we al in Aulnoy. Nog drie haltes naar Parijs. Maar in St.Quentin ging hij eruit. Hij wist daar een bistro waar hij rustig de krant wilde lezen. Zo werd ik ook opeens weer degene die ik was geweest, een kwartier tevoren: een man bestemd door de plaatselijke coulissen en de plaatselijke vooruitzichten.

Deze tijd van het jaar is altijd gevaarlijk. De mensen maken zich langzaam los uit de koude cocon van de winter maar het is nog te vroeg voor de sprong naar de zomer. Vergelijk het met de metamorfose van insecten. Je hebt van die films waarop je honderd of misschien wel duizend maal vergroot het ei van de een of andere kever ziet. Langzaam komt er beweging in de schaal, de larf wringt zijn eerste pootje naar buiten, het hele proces is één grote marteling en als het goed afloopt staat hij dan, nog een beetje vochtig, op eigen benen tussen de zandkorrels formaat rotsblokken. Er zijn cineasten met een zo groot talent dat ze zelfs de naïeve verbouwereerdheid in de ogen van de nieuwe wereldburger kunnen vastleggen.

In zekere zin ondergaan de mensen ieder jaar tussen de hoofdseizoenen - winter en zomer - zo'n gedaanteverwisseling, in het voorjaar en de herfst - de aanpassingsseizoenen. We moeten de vergelijking niet te ver drijven - dat kun je thuis doen, ligt allemaal voor de hand - maar dat er risico's aan verbonden zijn staat vast. Op het ogenblik zijn we aan het begin van het aanpassingsseizoen. Sommigen voelen dat in hun merg, anderen in hun neusvleugels of tenen, maar waar het zich ook mag localiseren, dit gevoel zegt: er staat iets te gebeuren. Er is de wil, iets anders te worden dan men in de cocon van de winter is geweest.

Mensen hebben op insecten voor dat ze hun gedaanteverwisseling tot op zekere hoogte in eigen hand kunnen houden. Ja, van geboorte tot dood wisselt iedereen onophoudelijk, onvrijwillig van gedaante. Maar daarnaast kunnen we ons iets aanmeten dat ons past terwijl het toch niet tot de kategorie vermommingen, feestneus, aanplaksels hoort. Het is trouwens geen wonder dat het carnaval vroeg in het voorjaar wordt gehouden. Gesteld dat het laat in de herfst zou zijn: dan zou het er heel anders uitzien.

Men meet zich dus een andere gedaante aan, maar aanmeten is goed beschouwd hier niet het goede woord. Het is het omgekeerde: een inwendige grootheid krijgt vergunning zich van het omhulsel meester te maken (of doet het zonder vergunning) en vermaakt het naar behoefte. Om een extreem voorbeeld te noemen: zo deed Hyde het met Jekyll en daarna Jekyll weer met Hyde. Merkwaardig is dat we van dit tweetal Hyde altijd als de sterkste beschouwen, terwijl er evenveel voor te zeggen is dat ze voor elkaar niet onderdoen.

Ik legde het vraagstuk aan een deskundige voor. Hij zei: Wat jij bedoelt is dat de mensen in deze tijd weer zin krijgen om te gaan spelen. Ik ken dat. Ik heb in mijn praktijk iemand die nu in de vijftig is en die een paar jaar geleden opeens merkte dat hij begin maart zin kreeg om tuinmannetje te gaan spelen. Geen opvallend gedrag, niets bijzonders. Hij heeft trouwens geen tuin. Maar dan ging hij naar het park, liep met zijn handen op zijn rug langs de perken en mompelde tegen zichzelf opmerkingen over de stand van het gewas. Dat maakte hem innerlijk diep tevreden. Dat was zijn manier om zich aan te passen. Hij is notaris maar diep in zijn ziel woont ook een tuinman die er omstreeks deze tijd even uit moet. Zo hebben we allemaal wel een geheime medebewoner die zich nu weer aandient. Die moet je gewoon de ruimte geven: af en toe spelen dat je die bent. Daar knap je van op. Het is als het ware je particuliere carnaval.

“Wie heb je zelf?” vroeg ik.

Hij grinnikte. “Denk je dat ik mijn praktijk wil verliezen?”

Terug tot de literatuur. “Edelachtbare,” vraagt in een toneelstuk van Leonid Andrejev de verdachte aan de rechter. “Hebt u nooit aanvechting gehad om eens even te kruipen, gewoon op een ogenblik, voor u zelf even verrassend als voor uw vrienden, uw familie, wie er dan ook bij zullen zijn, uw knieën te buigen, en dan over de grond te kruipen? Voelt u niets in uw knieën edelachtbare?”

Deze tekst werd door de acteur zo overtuigend gesproken dat in het publiek al een paar mensen voorzichtig om zich heen gingen kijken.

Dat bedoel ik: het diepste innerlijk dat tot spelen lokt, zo dwingend dat je eigenlijk niet meer van spelen kunt spreken.

    • S. Montag