Euthanasie blijft toch in wetboek van strafrecht

DEN HAAG, 24 FEBR. D66-minister Sorgdrager (Justitie) komt terug van haar gedachte om medici onder voorwaarden niet strafbaar te stellen voor het plegen van euthanasie.

Dit blijkt uit een brief die Sorgdrager en haar collega Borst (Volksgezondheid) gisteren naar de Kamer hebben gezonden.

Sorgdrager verklaarde op 22 december in een vraaggesprek met deze krant dat zij het opnemen van de zogeheten 'medische exceptie', waarbij dokters niet langer vallen onder de strafbaarstelling van euthanasie, in het wetboek van strafrecht “een aantrekkelijke gedachte” vond. De medische exeptie is een van de onderdelen van het verkiezingsprogram van D66.

Naar aanleiding van de uitspraak van Sorgdrager vroegen de fracties van PvdA, VVD en D66 de minister om opheldering omdat de regeringspartijen in het regeerakkoord hadden afgesproken om het euthanasiebeleid in 1996 te evalueren en te bezien of het wetboek van strafrecht op dit punt wijziging behoeft. De minister liep daarop met haar uitspraak vooruit. Nu schrijft Sorgdrager letterlijk: “Het kabinet is niet voornemens voorstellen in te dienen teneinde euthanasie uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen.” En de gedachte van de medische exeptie keert in de brief niet meer terug.

Het kabinet ziet wel veel in het eerder ook door Borst en Sorgdrager geuite plan om toetsingscommissies in het leven te roepen bestaande uit ethici, juristen en medici die “wellicht achteraf een oordeel zouden kunnen vormen over het medisch handelen” na euthanasie of actieve levensbeëindiging van pasgeborenen die niet of nauwelijks levensvatbaar zijn. De bewindsvrouwen voegen er echter aan toe dat de introductie van dergelijke commissies op dit moment niet aan de orde is. Eerst moet daarover met de beroepsgroep, de medische Inspectie en het OM gesproken worden en bovendien moet gewacht worden op de evaluatie komend najaar van het huidige euthanasiebeleid. Dit kwam tot stand in de vorige kabinetsperiode. De toenmalige regeringspartijen CDA en PvdA besloten toen de strafbaarstelling van euthanasie te handhaven. Wel kwam er een regeling gekoppeld aan de Wet op de Lijksbezorging die voorschreef dat medici gevallen van euthanasie konden melden. Het was verder de bedoeling dat de rechter vervolgens zou vaststellen wat wel en wat niet kan op het terrein van euthanasie.

Borst en Sorgdrager constateren verder in hun brief dat artsen bij de toepassing van euthanasie daadwerkelijk de geldende vereisten voor zorgvuldig medisch handelen in acht nemen. Zij vinden daarom dat de strafrechtelijke toetsing van dat handelen “wellicht minder sterk op de voorgrond” geplaatst dient te worden.

De beide bewindsvrouwen onderschrijven ook het voornemen van de artsenorganisatie KNMG om later dit jaar een “steunpunt voor overleg en advies” in het leven te roepen. Artsen die geconfronteerd worden met een verzoek om levensbeëindiging zouden zich tot dit steunpunt kunnen richten. Sorgdrager en Borst menen dat hiermee de besluitvorming van artsen inzake levensbeëindiging verder wordt verbeterd.