De elite als wegbereider van de jaren zestig

JAMES C. KENNEDY: Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig

343 blz., vert. Simone Kennedy-Doornbos, Boom 1995, ƒ 45,-

HANS RIGHART: De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict

328 blz., De Arbeiderspers 1995, ƒ 49,90

HERMAN WIGBOLD: Bezwaren tegen de ondergang van Nederland

152 blz., De Arbeiderspers 1995, ƒ 29,90

De meningen over de jaren zestig lopen sterk uiteen. Er zijn er die met de nodige weemoed terugdenken aan deze jaren van onrust, waarin volgens hen even de verbeelding aan de macht kon komen. Anderen vinden dat hier de oorsprong moet worden gezocht van een ontbinding die ons nu in de jaren negentig pas goed parten speelt. Beide opvattingen hebben gemeen dat ze een spanning in de jaren zestig zien tussen een establishment van oudere bestuurders dat allengs aan macht en gezag inboette en een counter culture van jongeren die deze macht en het erbij horende gezag tartten en op losse schroeven zetten. Kennedy van Nederlands-Amerikaanse afkomst valt niet in de valkuil van deze cliché tegenstelling. Als betrekkelijk onbevooroordeeld buitenstaander laat hij zich niet door sentimenten pro of contra op sleeptouw nemen. Van de drie boeken die hier ter tafel liggen vind ik zijn boek het boeiendste.

Oorvijg

Het is vermakelijk Wigbolds en Righarts boeken naast elkaar te leggen. Wigbold vindt dat er van alles mis is met ons land. Hij is van mening dat het hier een janboel is en dat komt voor een belangrijk deel door de protestgeneratie (geboren tussen 1940 en 1955) die in de jaren zestig volwassen werd. Hij ergert zich mateloos aan deze generatie wier spraakmakende deel ons nu wil doen geloven dat die jaren zestig fantastisch waren. Hij vindt dat 'ouwemannenpraatjes': “Het is nog maar de vraag of het allemaal zo leuk was als nu wordt voorgesteld.”

Iemand die goed kan schrijven en bovendien boos is, kan soms raak typeren. Zo rept hij van “de ver-RIAGG-ing van de maatschappij” en merkt op: “totale democratisering ontaardt in de oligarchie van de grote bekken, de getapte jongens, de vergadertijgers”. Maar een nadeel is ook dat de verontwaardiging te gemakkelijk een uitweg zoekt in gemeenplaatsen die aan de stamtafel gedebiteerd kunnen worden: “Werken was iets voor de dommen. Tienduizenden verscholen zich in het uitkeringswoud.” Ressentiment ligt niet zelden op de loer, getuige de oorvijg die Marcel van Dam krijgt: Van Dam groet Wigbold niet meer en heeft een geleend boek niet teruggeven. Onaardig, niet netjes, maar wat heeft de lezer daar nou mee te maken!? Ook schuwt Wigbold gescheld op met name genoemde personen niet.

Het is jammer dat Wigbold zijn tractaat niet boven dit niveau weet op te tillen. In het begin komt hij even in de buurt van een boeiende analyse. Hij wijst op twee belangrijke punten. Ten eerste had er na de oorlog geen natuurlijke wisseling van generaties plaats gevonden. Zij die omstreeks de Eerste Wereldoorlog geboren waren en in de Tweede Wereldoorlog al dan niet in het verzet een beslissende rol hadden gespeeld, waren van mening dat zij een natuurlijk recht op de uitoefening van gezag hadden. Tegen het einde van de jaren zestig waren ze niet erg fit meer: “zo in ademnood dat men maar behoefde te blazen en ze lagen al om”.Ten tweede, door de generatie die hierop volgde (Bekkers, Blokker, Trimbos, Van het Reve, etc.) waren al belangrijke veranderingen op gang gebracht - het Tweede Vaticaanse Concilie, het satirische tv-programma 'Zo is het' en andere pogingen de vensters open te gooien. “Het zaad was al gezaaid, het gewas stond al in bloei. De protestgeneratie hoefde alleen maar te oogsten.” Helaas worden deze interessante hypothesen niet uitgewerkt.

Dubbele generatiecrisis

Hans Righarts boek is van een ander kaliber. Ook de toonzetting is verschillend, alleen al omdat juist de loftrompet over de jaren zestig wordt gestoken: “een breuk die Nederland waarschijnlijk ingrijpender veranderde dan de Tweede Wereldoorlog heeft gedaan”. Wat wij nu vanzelfsprekend achten - “de openheid waarmee we tegenwoordig over seks praten, de egalitaire manier waarop kinderen met hun ouders omgaan, de democratisering van ooit onaantastbare gezagsverhoudingen op school, werk en universiteit, de alomtegenwoordigheid van popmuziek, dit alles en nog veel meer” - vindt volgens de auteur zijn oorsprong in het 'mythische decennium'.

Het boek bestaat voor het grootste deel uit een nog eens vertellen van wat er zoal in de jaren vijftig en zestig in ons land gebeurde. Voor wie het niet heeft meegemaakt een aardig overzicht, voor wie het beleefde een aangename geheugenopfrisser. Overigens bevestigde zijn relaas mijn vermoeden dat er in die tijd in Nederland wel heel wat opwinding was, maar nog lang geen echte revolutie. De verzorgingsstaat met zijn regulering breidde zich ongestoord verder uit en bedekte ons land met een wollen deken van overheidszorg.

De twee punten die Wigbold slechts aanstipt, worden door Righart wat grondiger uitgediept. Hij is van mening dat er na 1960 sprake was van een dubbele generatiecrisis die veroorzaakt werd door de snelle toename van de welvaart. Righart noemt deze dubbele generatiecrisis het epicentrum van de veranderingen in de jaren zestig. De Vooroorlogse Generatie kreeg al in de jaren vijftig te maken met beginnende ontzuiling, ontkerkelijking en secularisering. Bovendien kon de babyboom-generatie het zich door de toegenomen welvaart permitteren de sobere levensstijl van hun (groot)ouders af te zweren. Ietwat pathetisch schrijft Righart dat de jongeren 'wanhopig naar een eigen initiatiecultuur' zochten.

Mij lijkt de dubbele generatiecrisis een aannemelijke hypothese. Minder aannemelijk vind ik de idee dat de nalatenschap van dit decennium ook nu nog zo hardnekkig is dat we met recht van 'de eindeloze jaren zestig' zouden kunnen spreken. Righart heeft dat ook wel door en rept aan het slot van zijn boek van de jaren zeventig en tachtig die ''van een verpletterende business as usual'' getuigden. ''De dekolonisatie van de burger schrijdt nog altijd voort'', schrijft hij. Maar daar laat hij spijtig op volgen: ''de nieuw glorende horizon is al lang geleden uit het zicht verdwenen''. In die zin, zo meent Righart die nu met beide benen weer op de grond staat, ''zijn de jaren zestig écht voorbij''. Overigens valt het op dat de verzorgingsstaat die juist in de jaren zestig tot ongekende bloei kwam en ons leven tot diep in de jaren zeventig indringend beïnvloedde, in dit boek geheel afwezig is.

Behoedzaam en liberaal

James Kennedy's beschrijving en analyse van de jaren zestig gaan nog een stap verder dan Righarts dubbele generatiecrisis. Hij rekent af met de gedachte dat er in dit decennium een radicale breuk tussen de generaties zou hebben plaatsgevonden. Als een rode draad loopt door zijn boek de gedachte dat de verworvenheden van de jaren zestig - artistieke vrijheid, tolerantie, openheid, autonomie van de jeugd, vrije seksuele ethiek, zelfontplooiing, de kwaliteit van het leven, afkeer van externe regels en beperkingen - al voor dit decennium in de dominante cultuur van de oudere generatie aanwezig waren. De jongeren werkten deze echter verder, dieper, breder en sneller uit. De zogenaamde generatiekloof was slechts een greppel en de verschillen tussen jong en oud waren ''geen verschillen in soort maar in mate''.

Hieruit verklaart Kennedy ook het opmerkelijke feit dat de besturende elites zo inschikkelijk waren en zo snel door de bocht gingen, wanneer ze met rebellerende jongeren werden geconfronteerd. Velen waren voorstanders van de Doorbraak geweest en dus van mening dat het verzuilde conservatisme afgebroken zou moeten worden. Hij ziet hierin een typisch Nederlandse trek die in andere landen ondenkbaar is: ''Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat aan een heterogene groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte en zelfs stimuleerde, dat in andere landen niet zou worden geduld. De belangrijkste brengers van vernieuwing waren dus mensen van wie omvangrijke veranderingen het minst werden verwacht''. De rol van deze behoedzame en liberale gezagsdragers wordt volgens Kennedy ten onrechte verwaarloosd. Hij rekent hiermee dus af met het hardnekkige cliché dat er een fundamentele tegenstelling zou hebben bestaan tussen de protesterende jongeren en het Establishment.

Dit door zijn vrouw vertaalde boek laat zien dat Kennedy ons land goed kent en er ook sympathiek tegenover staat. Maar het is juist de verwondering van de Amerikaan die het tot zo'n aangename leesstof maakt. In het Voorwoord hekelt hij het typisch Nederlandse gepalaver over 'progressiviteit' en 'vernieuwing' en de diepgewortelde angst om voor 'ouderwets' of 'conservatief' versleten te worden. Typerend voor de denkwereld van de elites in de jaren zestig was volgens hem het geloof dat de komst van het 'moderne leven' onvermijdelijk was en men er maar het beste van moest zien te maken.

Paradoxaal

Natuurlijk wijst ook Kennedy hier op de verzuiling die consensus en compromissen boven conflict en principes plaatst. De autoriteiten uit de jaren zestig waren in deze cultuur groot geworden. Ze paarden hun afkeer van geweld en onenigheid aan de overtuiging dat het beter is de onvermijdelijke 'modernisering' te kanaliseren dan te proberen die te stuiten. Kennedy trekt daaruit de paradoxale conclusie: “Het is ironisch dat de 'culturele revolutie' van de jaren zestig werd vergemakkelijkt, gestuurd en zelfs aangemoedigd door gematigde en in wezen ouderwetse elites”. Ons voor buitenlanders nauwelijks te bevatten beleid van het gedogen is daarvan een sprekend voorbeeld. Ons drugs- en euthanasiebeleid dat hij overigens geenszins afkeurt, kent volgens hem zijn weerga niet, is internationaal gezien ongeëvenaard. De autoriteiten hebben dan ook de grootste moeite dat in het buitenland uit te leggen.