Computerparadox is zwart gat in economie

Het fenomeen wordt de 'computerparadox' genoemd: ondanks gigantische investeringen in computers en andere informatica blijft de produktiviteit van westerse economieën stagneren. Waren die investeringen voor niets? Moeten we onze organisaties nog beter aanpassen aan de computer? Of stijgt de produktiviteit al en kampen we vooral met een 'meetprobleem' in een steeds moeilijker te meten economie?

Er hoeft niet de minste twijfel meer over te bestaan: overal waar mensen werken veranderen computers, software en telecommunicatie de wijze waarop zij werken. Zeker de helft van de werknemers gebruikt tegenwoordig op het werk computers die elke kleine twee jaar in vermogen verdubbelen. En kon in 1966 de meest potente transatlantische telefoonkabel simultaan 136 gesprekken tussen Noord-Amerika en Europa verwerken, nu verstouwen optische glasvezelkabels het duizendvoudige en meer. Van alle investeringen in kapitaalgoederen gaat vandaag meer dan de helft naar informatietechnologie.

Ook buiten de directe werksfeer leidt het informatietijdperk tot stromen nieuwe ideeën en produkten: de supermarkt en de streepjescode, bank- en betaalautomaat, het reisbureau en z'n gecomputeriseerde boekingssysteem, de auto en de chipsexplosie onder de motorkap, het Internet en z'n multi-miljoenenpubliek enzovoorts. Dit is natuurlijk allemaal geen nieuws. Het ligt ook voor de hand dat al deze ontwikkelingen leiden tot meer efficiency en produktiviteit. Maar - en dat zal voor menigeen wèl nieuws zijn - dat laatste blijkt nauwelijks het geval.

Dat de ontwikkeling van de produktiviteit in de rijke wereld na de ingrijpende oliecrisis van 1973 stagneerde, valt te begrijpen. Dat deze produktiviteitsstagnatie in de jaren tachtig voortduurde - 1 procent per jaar in Nederland (CBS) en 0,9 procent in de VS (Bureau of Labor Statistics) - baart zorg. Maar dat de produktiviteit in de ontwikkelde wereld ook in de jaren negentig weinig verbetering blijkt te vertonen, terwijl de biljoenen verslindende informatierevolutie zo zichtbaar om zich heen grijpt, is ronduit bizar. En tegelijk zorgwekkend. Want verbetering van de produktiviteit, ofwel het vermogen om meer waarde uit dezelfde middelen te peuren, is nog altijd de voornaamste weg om de levensstandaard van een land te verbeteren. Geen serieuze econoom die daaraan twijfelt.

Zo groeide de produktiviteit de afgelopen eeuw in de nu ontwikkelde landen met gemiddeld 3,5 procent per jaar, wat goed bleek voor een vijftigvoudige expansie van de totale produktiviteit. Daarmee werden deze eeuw de klassenstrijd en het communisme verslagen. En daarop berustte onze fabelachtige welvaartsgroei zonder historisch precedent.

Zaken als technologie, arbeidsorganisatie, onderwijs en investeringen hebben zeker te maken met de ontwikkeling van die zo belangrijke produktiviteit. Dat is economen wel duidelijk. Maar hoe dat precies in z'n werk gaat, blijft ondanks spitse 'endogene' groeitheorieën, behoorlijk mistig. Net zo onzeker en vaag zijn economen als het gaat om het meten van die produktiviteit.

Dat de produktiviteit ondanks spectaculaire investeringen in informatietechnologie niet is geëxplodeerd - de zogeheten 'computerparadox' - heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met het feit dat de informatierevolutie niet enkel een technologische aangelegenheid is. Anders gezegd: wil zo'n technologische revolutie effect sorteren, dan moet zij gepaard gaan met een organisatorische revolutie.

Daarmee komt ook de hele 'reengineering'-koorts van de laatste jaren in beeld waarbij bedrijven zich proberen te reorganiseren, te 'verplatten' en te decentraliseren rond nieuwe zenuwstelsels die hun worden aangereikt door de informatietechnologie. Pas als dat lukt, zo geloven en hopen veel economen, zal de zo belangrijke produktiviteit weer stijgen. Al is dat proces zeker nog niet afgerond en kan het nog flink wat tijd kosten.

Aan een historische parallel is gelukkig geen gebrek. Thomas Alva Edisons introductie van elektriciteit in de jaren tachtig van de vorige eeuw en de wijze waarop het bedrijfsleven die revolutionaire vinding uiteindelijk absorbeerde, is instructief. Dat proces kostte zo'n veertig jaar en leverde pas stevige produktiviteitswinst op tegen de tijd dat het voltooid was, begin jaren twintig van deze eeuw (zie afbeelding). En omdat de computer nu ook al weer verscheidene decennia onder ons is, bestaat er hoop dat de informatierevolutie ons - in navolging van de elektra-revolutie - weldra ook meer welvaart en produktiviteit zal bezorgen.

Toen de elektriciteit eind vorige eeuw beschikbaar kwam, deden 'captains of industry' eerst weinig meer dan hun stoommachines ontkoppelen en die vervangen door elektrische dynamo's. Paul David, economisch historicus van de Stanford University bij San Francisco, schreef over deze episode een spannende studie. “Vanuit het gezichtspunt van de interne organisatie van de fabriek veranderde er na deze omschakeling aanvankelijk niets”, aldus David. “Maar in de loop van de daarop volgende decennia gingen de fabrikanten de mogelijkheden van het elektra steeds beter benutten. De flexibiliteit en de economische potentie van de steeds verbeterende elektrische motoren stelde managers in staat hun bedrijven steeds efficiënter te organiseren.”

Bovendien maakte de elektrificatie van het platteland het bedrijven mogelijk geheel nieuwe en modernere fabrieken te bouwen op goedkopere gronden buiten de dure steden. Zodoende werd de komst van de elektriciteit vanaf 1880 in de daarop volgende veertig jaren geabsorbeerd. Pas in de jaren twintig schoot ook de produktiviteit, die sinds eind vorige eeuw met 0,3 tot 0,5 procent per jaar voortsudderde, plotseling omhoog naar 5 procent per jaar - tot de 'crash' van 1929 toesloeg.

Met deze geschiedenis van de elektriciteitsrevolutie in gedachten is het, volgens Paul David, zinloos om nu een directe en sterke binding te verwachten tussen de komst van informatietechnologie en stijging van produktiviteit. “Allereerst moet de bestaande bedrijfsstructuur op de helling, wat meestal een moeilijk proces blijkt omdat zo'n structuur hecht is en alle onderdelen ervan in elkaar passen”, aldus David. “Daarna komt er een co-evolutie van de technische en de organisatorische structuur die vooral in het begin veel experimenteren en leren vereist.”

Dat tweeledige proces van moeizaam afbreken en langdurig wederopbouwen speelde zich volgens David ook de laatste paar decennia af toen de produktiviteitsgroei stagneerde. Terwijl toen nieuwe informatiesystemen werden ingevoerd en werknemers die met vallen en opstaan leerden gebruiken, bleven de oude systemen vaak functioneren naast de nieuwe, tot die na verloop van tijd goed 'op stoom' kwamen. Intussen smoorden de daarmee gepaard gaande dubbele kosten de produktiviteit.

Daar komt bij dat tijdens de leerprocessen - onvermijdelijk - blunders werden gemaakt of nieuwe systemen niet goed of goed genoeg bleken te werken. En zelfs waar de 'reengineering' van een bedrijf slaagde, werd die eerst vaak ten dele en niet totaal doorgevoerd. Waardoor nog lange tijd niet-gecomputeriseerde knelpunten in de produktieprocessen bleven bestaan die de produktiviteit evenzeer drukten.

Daarbij komen natuurlijk nog veelsoortige menselijke weerstanden. Een doorsnee-werknemer vindt verandering in beginsel storend en is daardoor geneigd de knusse status quo zo lang mogelijk te verdedigen. Hun managers hebben niet zelden de neiging om de toegang tot informatie - hun voornaamste machtsbasis die door de computer wordt bedreigd - zoveel mogelijk voor zichzelf te houden. Dus proberen ze die computerkracht aanvankelijk zo te organiseren dat hiërarchische structuren juist worden versterkt. Wat de produktiviteitsgroei ook al belemmert.

Dit soort verzet zou vermoedelijk nog veel taaier en duurzamer zijn geweest, als het externe economische klimaat de laatste 10 tot 15 jaar niet zo drastisch was veranderd. Door deregulering, liberalisering en globalisering verscherpte de concurrentie in het bedrijfsleven immers zeer. En dat dwong en dwingt zowel managers als werknemers tot een veel betere benutting van de mogelijkheden tot verbetering van de efficiency die de informatietechnologie biedt. Op straffe van ondergang.

Vanaf eind 1993 meldden met name Amerikaanse economische tijdschriften dat de vruchten van de informatierevolutie eindelijk konden worden geplukt. In spraakmakende bladen als Business Week, Fortune en Forbes verschenen enthousiaste verhalen onder ronkende koppen als 'The Technology Payoff', 'We may be more productive than you think' of zelfs 'Riding High, the Productivity Bonanza'.

Deze euforie kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Want de informatierevolutie leek inderdaad te leiden tot de langverwachte produktiviteitsexplosie. Zo steeg die produktiviteit in de jaren negentig in de VS plotseling naar twee procent, ruim het dubbele van de twee voorgaande decennia. Tot het verantwoordelijke Bureau of Economic Analysis van de Amerikaanse overheid vorige maand een plens koud water over die euforie gooide. Het introduceerde toen namelijk een nieuwe en 'verbeterde' rekenmethode. Daardoor werd Amerika's economische groei van de afgelopen paar jaar teruggeschroefd van 3,1 naar 2,5 procent en de produktiviteitsgroei van 2 naar 1,3 procent, niet veel meer dan in de jaren tachtig.

Sinds de Tweede Wereldoorlog had Amerika z'n economische gegevens berekend op basis van de in 1933 door Nobelprijswinnaar Simon Kuznets ontwikkelde 'fixed weight'-methode die over een langere periode uitging van de cijfers in een bepaald 'basisjaar'. In de VS was dit tot 1996 het jaar 1987. Deze methode kreeg steeds meer nadelen omdat ze spectaculaire ontwikkelingen in een sneller veranderende economie domweg miste. Neem de nieuwste computer die nu een fractie kost van zijn voorganger in 1987 maar veel meer presteert.

Om de vinger beter aan de pols te kunnen houden, ontwikkelden de Amerikanen een nieuwe 'chain-weighted'-methode van economische berekening. Daarbij wordt niet uitgegaan van cijfers uit een bepaald basisjaar maar van cijfers uit hetzelfde en het direct voorafgaande jaar. De economische groei in 1995 wordt dan dus berekend met gebruikmaking van de cijfers van 1995 en 1994. Deze methode is bewerkelijker, maar vermoedelijk accurater dan de oude. Wel dreigt ze een aantal oude veronderstellingen en theorieën omver te kegelen. Zoals die over de nu al ontluikende produktiviteitsexplosie. Die blijkt getuige de nieuwe en 'chain-weighted'-cijfers over de produktiviteit niet te bestaan.

Het Nederlandse CBS gebruikt de nu door de Amerikanen omhelsde 'chain-weighted'-methode overigens al langer, zo meldt ons medewerker F.K. Reininga van dat bureau. De Nederlandse cijfers over de jaren negentig gaven in tegenstelling tot die van de Amerikanen dan ook nauwelijks aanleiding om een produktiviteitsbonanza aan te kondigen. Bereikte de gemiddelde produktiviteitsgroei bij ons in de jaren tachtig, volgens CBS-opgaven, een matige een procent per jaar, in de jaren negentig kwamen we tot nu toe uit op een nauwelijks imposante 1,24 procent.

Blijft de grote vraag: Hebben enkele decennia van mega-investeringen in informatietechnologie en grootscheepse bedrijfssaneringen uiteindelijk een muis gebaard? Of moet meer geduld worden betracht? Hoogstwaarschijnlijk speelt hier nog een andere factor mee, een zeer belangrijke, namelijk het 'meetprobleem'. Als Hollywoord een Oscar voor economie zou uitreiken, dan ging die zo goed als zeker naar degene die produktiviteit goed weet te berekenen. Want dat blijkt uiterst moeilijk.

“Economen zijn de afgelopen twee decennia niet erg succesvol geweest in het verklaren van wat er met de economie gebeurde”, schreef de befaamde hoogleraar Zvi Griliches van Harvard onlangs in The American Economic Review. “Ik durf te beweren dat het meetprobleem de voornaamste oorzaak van deze tekortkoming is.” Hij stelt vast dat de methoden om de economie te berekenen, werden ontwikkeld in de jaren dertig toen de economie veel eenvoudiger was en nog bestond uit een grote agrarische sector, een groeiende industrie en een relatief beperkte dienstensector.

Griliches: “Stel je een meetbaarheidsschaal voor met een exact meetbare graanproduktie aan het ene uiteinde van die schaal en de nauwelijks of niet meetbare dienst van een advocaat aan het andere uiteinde. Je vindt dan ergens in het centrum van die schaal de scheiding tussen goed tot redelijk meetbaar enerzijds en matig tot niet meetbaar anderzijds. Was vijftig jaar geleden de helft van de economie goed tot redelijk meetbaar, nu minder dan eenderde.”

Dat heeft natuurlijk te maken met de minder goed meetbare maar stormachtig gegroeide dienstensector die nu al zo'n 70 procent van het economische leven uitmaakt. Griliches: “Ons vermogen om veranderingen in produktiviteit te meten is daarmee afgenomen en grote delen van de technologische ontwikkelingen zijn aan ons meet-netwerk ontsnapt.” Dat is volgens de hoogleraar ook de voornaamste oorzaak van de zogeheten 'computerparadox', het verschijnsel dus dat de produktiviteit van de moderne economie ondanks de grote investeringen in informatietechnologie maar niet wil stijgen. Waarom? “Het antwoord op die puzzel is eigenlijk eenvoudig”, schrijft Griliches. “Omdat in 1992 meer dan driekwart (77 procent) van alle informatica-investeringen plaatshadden in de moeilijk tot niet-meetbare dienstensectoren, zoals handel, banken, verzekeringen enzovoorts.”

Er zijn inderdaad de nodige aanwijzingen dat de werkelijke produktiviteit in de moderne economieën heel wat hoger kan liggen dan uit de formele overheidsstatistieken blijkt. Neem het feit dat de economische groeicijfers in het Westen momenteel matig zijn maar dat de bedrijfswinsten de pan uitstijgen. Hoe kan dat? Het antwoord schuilt vermoedelijk in drastische saneringen bij bedrijven en hoge produktiviteit.

Prof. Erik Brynjolfsson van het MIT in Boston analyseerde zorgvuldig bij 400 grote bedrijven het effect van investeringen in informatietechnologie op de produktiviteit per werknemer. Zijn conclusie: het rendement op die investeringen ligt enkele malen hoger dan dat van andere kapitaalinvesteringen. “Dat heeft geleid tot betere produktiekwaliteit, produktievariëteit en dienstverlening aan de klant”, aldus Brynjolfsson. “Veel geneugten van de informatietechnologie blijken ongrijpbaar voor de officiële meetapparatuur en komen dan ook niet tot uiting in de officiële cijfers.”

Zijn collega James Brian Quinn, onder wiens hoede de Amerikaanse National Research Council vorig jaar een studie aan dit onderwerp wijdde, meent: “Wij weten dat onze produktiviteit veel meer stijgt dan uit de formele cijfers blijkt. Maar of het nu gaat om 5 procent of 500 procent, wij hebben er geen flauw idee van.”

Kortom, de 'computerparadox' zit als een mysterieus zwart gat in het centrum van de economische wetenschap. Dat is voor Harvard-econoom Griliches overigens geen reden tot grote somberheid. “Een voornaam aspect van het leerproces is dat het onbekende zich blijft uitbreiden naarmate we meer leren”, zegt hij. “En dat is natuurlijk positief voor onderzoekers.”

    • Ferry Versteeg