'China is niet Oosters meer, en nog niet Westers'

WILLEM VAN KEMENADE: CHINA Hongkong Taiwan BV

396 blz., geïll., Balans 1996, ƒ 55,-

China is in een overgangsfase beland, die het eens zo monolithisch lijkende land een chaotisch aanzien verschaft. Door een continue stroom van investeringen sinds 1979 is het land “een mozaïek van systeemvarianten geworden. In vele gebieden domineert het kapitalisme al en in andere het socialisme nog, maar bijna overal is het gemengd,” aldus Willem van Kemenade, correspondent van NRC Handelsblad, in zijn zojuist verschenen CHINA Hongkong Taiwan BV. Vooral de laatste twee jaar is het land in een stroomversnelling geraakt die het ook voor de specialist moeilijk maakt vat te krijgen op de ontwikkelingen. Het onderwerp, de dynamiek van de Chinese economie en politiek van vooral de laatste twee jaar, is niet eenvoudig, maar Van Kemenades rustige, zakelijke verteltrant, gelardeerd met treffende uitspraken en goed gekozen citaten uit eigen interviews, dragen er veel toe bij deze tocht door China tot een plezierige studiereis te maken.

De reis begint met een goed overzicht van de drie 'systemen', dat van het vasteland, de Volksrepubliek China, van Taiwan en van Hongkong. De drie systemen staan niet helemaal los van elkaar; vooral de economische contacten hebben ertoe geleid dat zij naar integratie en uitholling van het communisme tenderen. Er zijn (economische) regio's ontstaan die de toekomst van China meebepalen, zoals 'Het Zuiden' (vooral Hong Kong en Canton), de regio Shanghai en de Yangtze-delta, Noordoost-China en de Groot-Noordoostaziatische economische sfeer, en in het noordwesten Xinjiang en de islamitische wereld. De rivaliteit tussen deze regio's en andere, economisch minder snel groeiende, of ronduit achtergebleven regio's is een belangrijke factor in de Chinese politiek geworden. Tegenover de simplistische voorspelling dat 'de economie' voortaan de wereld zal regeren, plaatst de auteur de kanttekening dat politiek en economische ontwikkeling onafscheidelijk met elkaar verbonden zullen zijn.

Het was Deng Xiaoping persoonlijk die het opzetten van een speciale zone in de buurt van Hongkong voor economische ontwikkeling met participatie van buitenlandse bedrijven had goedgekeurd. Het nieuwe ontwikkelingsmodel moest een versnelde overdracht van buitenlandse technologie naar China bewerkstelligen. Zoals vaak in de geschiedenis van communistisch China hing vanaf nu het lot van dit project af van de politieke bescherming van Deng: het werd als het ware door deze politieke leider 'geadopteerd'. De opkomst van Jiang Zemin, de huidige sterke man van China, heeft echter veel te maken met diens politieke banden met de stad Shanghai, en het verbaast dan ook niet dat tegenwoordig de ontwikkeling van Shanghai, de Yang Tse-delta en andere kuststeden een grotere prioriteit heeft gekregen. Oppervlakkig bekeken onderstrepen de koortsachtige bouwactiviteiten in de regio Shanghai de ambitie van de leiders om Shanghai opnieuw tot een belangrijk financieel centrum voor geheel Oost-Azië te maken, maar tot dusver ontbreekt de infrastructuur voor de ontwikkeling van een bloeiende kapitaalmarkt. De in het Westen vaak zo geprezen stormachtige ontwikkeling van de economie van Zuid-China heeft een eigen dynamiek, maar juist daarom zal de centrale regering pogen de tendens naar meer politieke autonomie van Zuid-China tegen te gaan. Het economische succes heeft trouwens ook schaduwzijden. Vaak wordt het succes 'gekocht' met erbarmelijke leefomstandigheden van de Chinese arbeiders en arbeidsters, en het is de vraag of het lage opleidingspeil in het 'cultuurloze' zuiden op den duur een voortzetting van dit economische mirakel zal toestaan.

Instabiliteit

De Chinese modernisering onder Deng begon eind jaren zeventig; hervormingen op het platteland legden toen de basis voor de vlucht van de Chinese economie. Industrialisering en modernisering van de landbouw legden echter de kiem voor gevaarlijke instabiliteit. Daarbij moet wel worden beseft dat dit ook in Europa een langdurig en moeizaam proces is geweest. Een proces dat de kern van traditionele familie- en dorpsstructuren, het netwerk van menselijke verhoudingen en waarden raakt, en ook diepgaande veranderingen in het administratieve en politieke systeem eist. Van Kemenade wijst erop dat de partij haar greep op het platteland grotendeels is kwijt geraakt. In oktober 1994 werd op een partijplenum het besluit officieel bekendgemaakt om partijcellen aan de basis te herbouwen, maar het is zeer de vraag of dit besluit het geschikte middel is om de politieke herstructurering op het platteland aan te pakken. “Chinese intellectuelen zeggen dat het een verloren strijd is. Familieclans, de mafia en andere geheime en religieuze genootschappen hebben de plaats van de Partij in grote delen van het platteland ingenomen,” schrijft Van Kemenade en hij stelt voorts dat de systematische manier waarop momenteel aan democratisering op het laagste dorpsniveau wordt gewerkt, mogelijk de beste vooruitzichten biedt voor democratie in China. Ik vraag me echter af in hoeverre optimisme hier gerechtvaardigd is. Een vooraanstaande onderzoeker als Yu Zhiping wijst er bijvoorbeeld op dat ook de traditionele gemeenschapsstructuren op het Chinese platteland een simpele 'individualisering' in de weg staan.

Terecht haalt Van Kemenade het precedent van de Chinese geschiedenis aan waar herhaaldelijk economische chaos en de daaruit ontstane interne volksverhuizingen het lot van hele dynastieën hebben bezegeld. Het is tegen deze achtergrond dat de huidige regering overweegt door politieke maatregelen het economische evenwicht te herstellen, ook al betekent dat een al of niet tijdelijk verlaten van een meer 'liberaal' beleid, en een afstappen van de decentralisering van het Deng-tijdperk.

Dreigende interne instabiliteit is een van de redenen waarom het herstel van de bestuurlijke eenheid, de politieke integratie, een grote prioriteit heeft gekregen. Dit wordt bemoeilijkt doordat het leiderschap in Peking nog steeds van een eenheidsstaat onder controle van Peking en de (communistische) partij uitgaat. De politieke integratie ondervindt tevens hinder van het feit dat tot voor kort de stijging van het overheidsinkomen ver beneden de nationale economische groei lag. Dit kwam onder meer doordat de belastingen in China door lagere overheden werden geïnd, waarna een zeker deel naar Peking werd overgemaakt. Het spreekt haast vanzelf dat dit de regionale besturen veel mogelijkheden bood met deze belastingoverdracht te rommelen.

Bombastisch

De huidige leiders vormen allesbehalve een hechte groep. De formele leider Jiang Zemin is, aldus Van Kemenade, een “bombastische, kleurloze overgangsfiguur” zonder visie en het is nog niet duidelijk wie op lange termijn het heft in handen zal nemen. Deng Xiaoping ontleende zijn macht aan zijn senioriteit binnen partij, staat en leger in een tijdperk waar formele institutionalisering van de macht in het post-revolutionaire China nog een betrekkelijk beperkte rol speelde. Van Kemenade introduceert andere leiders, een groep rond de 'geheimzinnige' Qiao Shi, meer liberale, maar ook 'communistisch-orthodoxe' leiders. Het persoonlijke element zal in de Chinese politiek een grote rol blijven spelen. De toekomstige leiders kunnen niet hun belangrijkste machtsbases verwaarlozen, het leger en de partij, die door de privatisering van staatsbedrijven een belangrijke politieke steunpilaar dreigt te verliezen. Vrijwel iedereen, aldus de auteur, is het ermee eens dat men moet blijven hervormen, maar niet ten koste van stabiliteit. “De gulden middenweg is partieel en regionaal experimenteren, en als de repercussies onoverzienbaar worden, terugkrabbelen. Dat is wat voortdurend gebeurt.” De regering en de partij zijn voortdurend bezig te schipperen tussen de Scylla van economische hervormingen en de Charybdis van de noodzaak de politieke stabiliteit te handhaven. Het gevolg is een bewind dat elke aantasting van zijn gezag als levensbedreigend ervaart en grote huiver vertoont voor politieke hervormingen.

Van Kemenade vervalt niet in de primitieve fout de lezer de magische sleutel tot 'het Japanse' of 'het Chinese' systeem aan te reiken. Zijn boek suggereert juist dat China zich nog steeds in de beginfase van een zich moderniserend land bevindt. De koers is eveneens onduidelijk, niet slechts voor de leiders, maar ook voor de gewone Chinees. Zoals een Chinese onderzoeker, door de auteur geciteerd, het uitdrukt: “China is niet oosters meer, nog niet Westers, en ook niet marxistisch. De partij heeft besloten dat we een markteconomie moeten worden, maar zij kan de in het Westen ontwikkelde normen en waarden van een markteconomie niet toepassen, omdat zij het niet wil en ook omdat zij niet weet hoe het moet.” Van Kemenade blijft het antwoord schuldig op de vraag of de economische hervormingen naar een meer democratisch China zullen leiden en hij laat de mogelijkheid open dat het land voor onbepaalde tijd in het stadium van autocratie zal blijven steken. Deze recensent is niet onverdeeld optimistisch over het vermogen van maatschappijen om op 'spontane' manier democratisch te worden. 'Markteconomie' en 'parlementaire democratie' staan niet helemaal los van elkaar, maar ik ben er niet van overtuigd dat een technocratische invoering van een markteconomische stelsel automatisch tot een democratisch stelsel leidt. Het is zelfs goed voorstelbaar dat een moderne maatschappij die het nalaat reeds op het niveau van lager en middelbaar onderwijs zelfstandig denken aan te kweken, langzaamaan de kern van een democratische beschaving verliest.

Het zou overigens niet juist zijn ervan uit te gaan dat de Chinezen na Mao a-politiek en pragmatisch zijn geworden, en daarom minder vatbaar voor anti-Westers nationalisme. De aanwezigheid van grote groepen die zich achtergesteld voelden heeft ook in Europa bijgedragen tot de opkomst van het fascisme, vergezeld van primitief nationalisme. Het zijn juist marxistisch denkende Chinese intellectuelen die in de toenemende invloed van de Chinese strijdkrachten het gevaar van een fascistische opleving zien, juist omdat de maatschappelijke basis voor democratie nog te smal is. De huidige leiders beseffen dat China het op lange termijn niet kan stellen zonder Westerse informatie, kapitaal- en technologiestromen, maar dit hoeft geen rem te vormen op eventuele militaire acties. De afgelopen maanden heb ik herhaaldelijk kennis kunnen nemen van een 'optimistische' kijk van sommige Chinezen, die veronderstellen dat zelfs na een gewapend conflict tussen Peking en Taiwan de Verenigde Staten een daaropvolgende economische blokkade niet langer dan twee of drie jaar zullen volhouden.

Gevaren

Voor de niet-Chinese wereld is het van groot belang te kunnen schatten hoe China zich tegenover de buitenwereld zal opstellen, vooral op het gebied van handels- en zakenrelaties. Van Kemenade vraagt zich af of China een coöperatieve partner in een interdependente wereldeconomie zal worden of een mercantilistische reus, te meer omdat er twijfels zijn over de vraag of het land zich aan algemeen erkende concurrentieregels zal houden, in het bijzonder op het punt van copyright. Ik zou er aan willen toevoegen dat men in China even bezorgd is over de gevaren voor de Chinese economie van een te rasse, ongecontroleerde opening naar de wereldmarkten. Van Chinese kant wordt er op gewezen dat vooral Japan, maar ook bijvoorbeeld Zuid-Korea een veel langere periode heeft gehad waarin hun zich ontwikkelende bedrijven werden beschermd. In China komt er nog bij dat men, juist op het tijdstip waarop men de markten zou dienen open te stellen, de staatsbedrijven moet hervormen, waardoor een belangrijke industriële sector aan extra zware druk wordt blootgesteld.

Hoe belangrijk de ontwikkeling van economische macht ook moge zijn, voor de leiders in Peking gaat het om meer dan om een plaats in de top van economische statistieken of om de ontwikkeling van eilanden van economische welvaart in Azië. In de Chinese visie is een stabiele ontwikkeling ondenkbaar zonder het behoud van nationale soevereiniteit. Dat impliceert voor de leiders in Peking het terugbrengen van Taiwan in het Chinese staatsverband. Politieke integratie met Taiwan wordt gezien als een voorwaarde voor de verdere vervlechting van de Chinese economie met de wereldeconomie, vooral ook omdat de laatste jaren separatistische bewegingen - in Tibet, in het noordwestelijke Xinjiang en in Mongolië - de eenheid en stabiliteit van China bedreigen. Een blik in het julinummer (1995) van het Chinese vaktijdschrift 'Moderne internationale betrekkingen' (Xiandai guojiguanxi) leert waarom men in China bereid is militaire druk te gebruiken om de hereniging met Taiwan te bereiken, en waarom de huidige Taiwan-crisis geen kortstondige blufpoker is.

Bewonderenswaardig

Van Kemenade verwijst op verscheidene plaatsen naar de buitenlandse relaties en de economische contacten van China, maar had daaraan wel meer ruimte kunnen besteden. Voorts komt de rol van de Chinezen overzee, waar het gaat om hun bijdrage aan de modernisering van China, niet in voldoende mate aan bod en bij de verwijzing naar de historische achtergronden blijken die niet de sterkste kant van de auteur. Voorts onthoudt hij zich, en dat is jammer, van een discussie over enkele zeer belangrijke vraagstukken, zoals de relatie tussen China's bevolkings- en economische groei en de aantasting van het milieu door de industrialisering. Maar de positieve kanten overheersen in ruime mate. CHINA Hongkong Taiwan BVstelt de algemeen geïnteresseerde lezer in staat de ingewikkelde processen van de afgelopen jaren in deze belangrijke regio enigszins te begrijpen en te volgen, en vult daarmee op bewonderenswaardige manier een grote leemte. Van Kemenade is erin geslaagd een gelaagd beeld van de politieke en economische dynamiek van de huidige Chinese wereld te geven, zonder dat hij pretendeert een overzicht te geven van het wetenschappelijk onderzoek op deze terreinen. Economische cijfers worden in de tekst genoemd voor zover dit voor het verhaal verhelderend is. Er is een index op personen, en een beknopte bibliografie. Het boek is zorgvuldig uitgegeven en bevat, ook bij de transcriptie van Chinese namen, weinig drukfouten. Het zal na de ontknoping van de crises waarmee China zich geconfronteerd ziet - waaronder de strijd om de opvolging van Deng Xiaoping en de Taiwan-crisis - zeer lezenswaardig blijven.

    • Kurt W. Radtke