China blijft worstelen met sturing van de economie

PEKING, 24 FEBR. China wordt een economische supermacht, dat is zeker. Maar het kapitalistische Westen mag China daar best een beetje dankbaarder voor zijn. Want als het Westen zo graag wil dat China hun afzetmarkt wordt, dan moet het Peking meer de ruimte laten 's lands economie in alle omvang te ontwikkelen.

Dat is een mening die veel Chinese economen en politici tegenwoordig zijn toegedaan. Wei Jie, hoogleraar in de macro-economie aan de Volksuniversiteit van Peking, legt het uit: “De kapitalistische wereld is gewoon bang dat China te sterk wordt en dat het de rijke kapitalistische landen van hun plaats stoot.” Volgens Wei wil ieder land inmiddels wel zijn goederen kwijt op de Chinese markt, maar mag diezelfde markt geen bedreiging gaan vormen voor het westerse handelsmonopolie. “Ik begrijp die gedachte niet”, aldus Wei. “Als jullie willen dat wij jullie goederen kopen, dan moeten we wel de volledige vrijheid krijgen onszelf te ontwikkelen.”

Wei behoort tot een groeiende groep Chinese economen die vindt dat de ontwikkelde wereld China onvoldoende de ruimte geeft in zijn streven naar groei. Deze economen zijn zeer optimistisch als het de internationale economische positie van China aangaat. Maar tegelijkertijd vinden zij dat hun land een betere behandeling verdient. “Onze integriteit wordt in twijfel getrokken. Dat is hoogst onredelijk”, aldus Wei.

Overtuigend bewijs voor een “wereldwijd wantrouwen jegens China” is volgens Wei en andere economen de internationale reactie op de beslissing die de Chinese regering in december heeft genomen, 's lands importtarieven drastisch te verlagen. “Met die maatregel is de regering buitenlandse ondernemingen tegemoet gekomen en maakt zij het hun gemakkelijker in China te investeren”, aldus Hu Angang, die evenals Wei econoom is, en pleit voor meer internationale waardering voor zijn land.

“De Chinese regering heeft inmiddels duidelijk laten merken dat China aansluiting zoekt bij de internationale markt. Ik vind het dan ook onvoorstelbaar dat bepaalde landen de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) nog altijd belemmeren,” aldus Hu die naast zijn positie aan de Chinese academie voor wetenschappen tevens adviseur is van president Jiang Zemin. Met name de Verenigde Staten en in mindere mate de Europese Unie zijn van mening dat China mag toetreden tot de WTO, maar dan wel als 'volwaardig lid', dat wil zeggen als ontwikkeld land. Peking, dat in aanmerking hoopt te komen voor 'verzachtende regelingen', vindt die eis te hoog en wil alleen toetreden als 'ontwikkelingsland'.

“Als China lid wordt van de WTO zal het zich richten naar de regels van de internationale economie. Dat lijkt mij een aantrekkelijk vooruitzicht”, zegt Hu. “De wereld kan daarvan profiteren. China wordt het land van de 21ste eeuw. Wij zijn er klaar voor.”

Maar is China wel klaar voor de 21ste eeuw? Bestaan in China niet zeer veel problemen die nog verholpen moeten worden? “Natuurlijk zijn er problemen, maar die zijn op te lossen en staan China's internationale economische ontwikkeling niet in de weg”, aldus Hu. “Chinezen moeten leren beseffen wat de uitdaging, die nu voor het oprapen ligt, waard is.” Dat is ook de mening van Wei Jie: “Over het algemeen zijn Chinezen intelligenter dan buitenlanders. Alleen heeft het Chinese volk tot dusver niet voldoende mogelijkheden gekregen gebruik te maken van die natuurlijke gaven. Maar bedenk eens hoe overzeese Chinezen het doen op Amerikaanse universiteiten. Daar scoren zij verreweg het hoogst. Chinezen hebben een enorm potentieel aan inzet en intelligentie.”

Maar wat voor overzeese Chinezen misschien geldt, is in China zelf nog tamelijk onderontwikkeld. En zoals gezegd, problemen zijn volop aanwezig. Dat moet zowel Hu Angang als Wei Jie toegeven. De discussie rond de aansluiting van China bij de WTO en meer algemeen de rol van China als toekomstige economische supermacht vertroebelt dikwijls het blikveld op de gesteldheid van de binnenlandse economie.

“Het grootste probleem in China is de groei van de werkloosheid”, zegt Wei. “En dus niet de inflatie”, voegt hij er onmiddelijk aan toe. “Dat is het stokpaardje van het buitenland.” Volgens Wei kan de Chinese economie een inflatie van 14,8 procent, het percentage van afgelopen jaar, gemakkelijk aan. “Tot dusver heeft het ministerie van economische zaken bewezen dat het in staat is de inflatie te beteugelen. Het nieuwe streefcijfer voor dit jaar ligt dan ook ruim zes procent lager.” In 1994 kampte China met 21,7 procent inflatie.

“Zorgwekkender is de sociale instabiliteit die gepaard gaat met de toename van het aantal werklozen. En dat is iets waar men in het buitenland amper aandacht voor heeft.” Volgens Wei is bijvoorbeeld de groei van de criminaliteit een gevolg van de constante druk waaronder de bijna honderd miljoen werklozen in China leven. “De Chinese markt is vrijwel van de ene op de andere dag veranderd. Inmiddels wordt bijvoorbeeld de zware en chemische industrie ontwikkeld in China, en dat vereist kapitaal in plaats van arbeid.”

De sociale instabiliteit in China hangt echter wel degelijk samen met de inflatie. En ook Wei vindt in tweede instantie dat het inflatieprobleem niet weggecijferd kan worden. “Ik vind alleen dat het wordt opgeklopt door het buitenland, maar inflatie is zeker een destabiliserende factor.” Met name de allerarmsten hebben het afgelopen jaar veel moeilijkheden ondervonden door de geldontwaarding. De scherpe prijsstijgingen van ruim 27 procent voor allerhande voedselprodukten - de graanprijs steeg zelfs 40 procent - kwam hard aan bij de negen miljoen families die minder dan 100 gulden per maand verdienen.

Volgens Hu Angang is de inflatie het belangrijkste probleem waarmee de Chinese economie momenteel kampt. “De Chinese conjunctuur is te grillig en de belangrijkste oorzaak daarvan is inflatie. Daardoor kan de samenleving politiek, economisch en sociaal ontwricht raken, en alleen de centrale regering kan daar een oplossing voor vinden.”

Hu is dan ook een fel pleitbezorger van een centraal geleid macro-economisch beleid. “Om een effectieve macro-economische politiek te kunnen voeren is één centraal bestuur nodig.” Hu vindt dat het bestuur in de regio, met name in de Speciale Economische Zones en de economisch sterke kustprovincies, te veel zijn eigen gang gaat. “Peking kan zonder veel problemen de economie stabiliseren, de regionale besturen hebben dat overzicht niet.”

Dat is ook de overtuiging van Zhu Rongji, de neo-conservatieve vice-premier voor economische zaken. Afgelopen maand, tijdens een bezoek aan Hongkong, memoreerde hij het belang van macro-economische controle over de Chinese economie. “Op die manier kan China zonder veel problemen een sterke economische groei aan. Daar valt niet aan te twijfelen. En laten we wel wezen, als China de rijstkommen weet te vullen van 1,2 miljard mensen, wat voor een heldendaden zijn er dan te bedenken die wij niet zouden kunnen waarmaken?”

Maar niet iedereen gelooft dat macro-controle de oplossing is voor structurele problemen. Fan Gang, werkzaam aan de Chinese academie voor sociale wetenschappen, is zelfs een uitgesproken tegenstander van een overgecentraliseerde economische politiek. “Een dergelijke politiek komt totaal niet meer overeen met de dagelijkse realiteit. De Chinese economie is feitelijk al gedecentraliseerd. De lokale overheden hebben inmiddels veel verantwoordelijkheden op zich genomen. Wanneer de centrale overheid streeft naar 'recentralisatie', zoals op dit moment gebeurt, wordt de regio ieder initiatief ontnomen. Je maakt de provincie er enkel opstandig mee”, aldus Fan.

Volgens Fan komt de beslissing van de Chinese regering de economie te recentraliseren vooral voort uit de behoefte de noodlijdende staatskas te spekken. Ondanks een voordeel van 17 miljard gulden in het afgelopen jaar, het resultaat van het in 1994 ingevoerd belastingstelsel, bleken de overheidsinkomsten nog altijd onvoldoende om te kunnen voorzien in al het loon van 's lands ambtenaren. “Lokale overheden moeten dus andere oplossingen bedenken om hun ambtenaren te kunnen uitbetalen. Daarin dienen zij vrijheid te krijgen”, aldus Fan.

Fan gelooft dat de centrale overheid uiterst behoedzaam moet zijn met haar controle. “De groei moet in de economie blijven. Dat is van groot belang. Als China onder de zes procent groei duikt, sta ik niet in voor de gevolgen. De totale economie zal ontwricht raken.” Daarom mag de regering als het aan Fan ligt alleen daar waar het uit de hand dreigt te lopen bijsturen. “Peking hanteert slechts de rem op de economische groei en dient te waken voor oververhitting.”

Wat Wei Jie betreft kan de economische groei niet hoog genoeg zijn. “Oververhitting is geen groot gevaar. De Chinese economie kan veel meer aan dan de 9,8 procent groei van het afgelopen jaar. Ik geloof dat een BNP van 15 procent haalbaar is voor China.” Volgens Wei is het de grootste uitdaging die de Chinese leiders momenteel in handen hebben; “door blijven groeien zonder dat de economie oververhit raakt.”

Maar zonder goed leiderschap gelooft Wei dat een dergelijke groei niet mogelijk is. “Leiderschap dat in staat is een maatschappij in overgang te sturen, dat is wat we nodig hebben. Anders willen Chinezen niet gehoorzamen. Het is toch niet voor niets dat ondanks de aanwezigheid van stoplichten bij iedere kruising een politieagent staat? Rood licht werkt in China alleen wanneer er iemand is om te vertellen dat dan niet gereden mag worden.”

    • Floris-Jan van Luyn