Boeven ter zee

DAVID CORDINGLY: Life among the Pirates

338 blz., Little, Brown and Co. 1995, ƒ 59,85

DAVID F. MARLEY: Pirates

160 blz., Arms and Armour Press 1995, ƒ 62,95

JO STANLEY (ed.): Bold in her Breeches, Women Pirates across the ages

283 blz., Pandora 1995, ƒ 47,25

De zeeroverij heeft sinds eeuwen in aanzien gestaan bij lezers, net als andere vormen van misdaad en misschien nog meer, om de bolle zeilen en het mooie uitzicht. Dat er in een paar maanden drie nieuwe boeken over verschijnen wekt de verwachting dat er weer eens iets bijzonders van te vertellen zal zijn.

Die illusie moet doorgeprikt worden. Voorlopig blijft alles bij het oude in onze kennis en begrip van zeeroverijzaken. Wel is David Cordingly, die vier jaar geleden een tentoonstelling Pirates: Fact and Fiction georganiseerd heeft voor het National Maritime Museum in Greenwich, een evenwichtige geleerde. Hij heeft ook een eerder boek onder de titel Pirates op zijn naam en probeert niet in zijn beknopte nieuwe boek de zeerovers van alle tijden en zeeën samen te vatten. Zijn aandacht is deze keer voornamelijk gericht op de Caraïbische Zee in de late zeventiende en vroege achttiende eeuw, met sir Henry Morgan (1635-1688) als aanzienlijkste rover. Morgan was geridderd omdat hij behalve als piraat ook als privateerwerkte (piraat geautoriseerd door zijn regering) en het tot gouverneur van Jamaica bracht. Vele van de piraten waren uitstekende zeelui, en zij vreesden God noch gebod. Zij waren boeven-ter-zee, die het vaak maar twee of drie jaar volhielden voordat zij sneuvelden of gevangen genomen en opgehangen werden.

Buiten de literatuur is er, geloof ik, geen enkel verhaal overgeleverd van een piraat met een mooie inborst. Ter vergoelijking van hun werkzaamheid kan alleen aangevoerd worden dat de maatschappij hun weinig andere kansen bood. Er wachtten hen op het land geen uitkeringen en huursubsidies. Het alternatief voor een paar jaar ruig leven was enkele tientallen jaren op een bestaansminimum.

Dit excuus is op zichzelf niet voldoende geweest om hun populariteit te verzekeren. In de vertel- en filmkunst zijn de roversnaturen gewoonlijk verzacht en bijgeschminkt totdat zij op Robin Hoods begonnen te lijken die de brave kleine man in bescherming namen tegen de hebzuchtige grote. Ook Cordingly betuigt respect aan de boeken van Robert Louis Stevenson en R.M. Ballantyne en aan de rollen van Douglas Fairbanks en Errol Flynn. In zijn laatste alinea zegt hij zelfs dat wij allemaal willen geloven in de zeeroverswereld van romans, toneel en film. Met die uitspraak is hij onnodig toegeeflijk tegenover onze zwakke en goedgelovige naturen. Wat er van zijn eigen boek in de herinnering blijft zijn de barre levensomstandigheden en de gruwelen van gevechten en terechtstellingen. Nu en dan spreekt hij nog duidelijker tot de verbeelding met gegevens uit de praktijk, zoals wanneer de lezer zijn verwondering mag delen dat het in 1720 moeilijk was voor een roversbende om zich in het uitgestrekte gebied van de Caraïbische Zee verborgen te houden voor de Royal Navy. Van schip tot schip werden waarschuwingen doorgegeven; de wereld was al te klein om onzichtbaar in te blijven.

Populair

Cordinglys boek is geen lust om te lezen, daar is het te stijf voor, maar het geeft een sober beeld van de gevaarlijke zeeën van driehonderd jaar geleden. Hetzelfde kan niet gezegd worden van dat van David F. Marley. Hij is van alle nodige kennis voorzien maar vertelt eentonig, onbedreven in het afwisselen van avonturen en achtergrond. Daar komt bij dat het boek in een onuitstaanbare populaire vorm is uitgegeven, met pagina's in verschillende kleuren en veel illustraties zonder historische betekenis.

Nog minder waard is het werk van Jo Stanley over vrouwelijke zeerovers, met drie hoofdstukken geshreven door bevriende collega's van haar. Zij tonen voornamelijk aan dat er weinig bekend is over vrouwen als vechters op die schepen, minder dan over vrouwen die als echtgenoten en vriendinnen meevoeren. Wat Stanley als feministe bezighoudt is dat haar sekse ook in dit vak weinig kansen gehad heeft. Voor een klinkende conclusie doet zij een absurd beroep op de filmindustrie, waarvan de ficties 'offer exciting insights into women's potential'.

Een van de vriendinnen, Anne Chambers, heeft een deugdelijk hoofdstuk bijgedragen over de zestiende-eeuwse Ierse zeeschuimer Grace O'Malley, bekend als Granuaille; een andere, Julie Wheelwright, herinnert ons aan de bekendste twee heldinnen van de traditie, Anne Bonney en Mary Read, die in 1720 op Jamaica terechtstonden en niet opgehangen werden toen zij verzekerden dat zij allebei zwanger waren. Bij die hulpkrachten van Stanley is voor de lezer iets op te steken, maar te weinig voor een heel boek.

    • J.J. Peereboom