Viermaal een kikker

Huub Beurskens: Iets zo eenvoudigs. Gedichten. Uitg. Meulenhoff, 86 blz. ƒ 19,90

Voor zijn vorige dichtbundel, Aangod en de afmens, ontving Huub Beurskens de VSB Poëzieprijs 1995. Het juryrapport loofde de krachtige, zorgvuldige composities en de taalvirtuositeit van de dichter. Er viel dan ook veel te beleven in de bekroonde bundel. Beurskens toonde zich een lyricus pur sang die, nu eens speels, dan weer ernstig - religieus haast - op zoek was naar de drijfveren van leven en poëzie. De afwisseling van toon hield de boog ruim zestig pagina's gespannen, en ook dat maakte Aangod en de afmens tot een traktatie.

Nog geen jaar na dit hoogtepunt komt Beurskens met tachtig nieuwe pagina's poëzie, onder de titel Iets zo eenvoudigs. Thematisch is deze bundel een voortzetting van de vorige, maar waar de dichter in Aangod en de afmens regelmatig slaagde in zijn pogingen het volle leven te omarmen, verslapt nu dikwijls de spanningsboog en komt de dood in de pot. Pijnlijk duidelijk wordt dit in de cyclus 'Kikker van De Gheyn'. In een samenspraak met Leo Vroman becommentarieert Beurskens een zeventiende-eeuwse tekening van een viermaal afgebeelde kikker. Waar de drie, hier ook opgenomen gedichten van Vroman sprankelen van kijk- en levenslust, blijft Beurskens' drietal steken in moeizaam geformuleerde bedenksels. En dan blijkt onloochenbaar: gedacht is nog niet gedicht.

Het titelgedicht, waarmee de bundel opent, illustreert dezelfde kwaal. Zestien pagina's lang essayeert de dichter over 'Een kunst die niet meer voorgeeft / dan te zijn wat als liefelijk is te zien'. Hij deed dat eerder - en overtuigender - in zijn essaybundel Circus Fernando. In Iets zo eenvoudigs slaagt het essay zo min als het gedicht. De formuleringen zijn bij herhaling te geconstrueerd om poëzie te leveren. Wat bijvoorbeeld te doen met zulke regels als 'O dat dit hoe // wij volstrekt getroffen zijn door en door- / drongen van de ononthoudbaarheid van welk / dan ook zich ons volledig voltrekkend moment!'?

In Circus Fernando attaqueerde Beurskens de mening dat goede poëzie poëzie is die je onthouden en citeren kunt. Hij noemde dat toen 'een uiting van baar artistiek desinteresse'. Heeft hij met Iets zo eenvoudigs nu de 'ononthoudbaarheid' tot poëtisch criterium willen verheffen? Ook na herhaalde herlezing wil weinig uit deze bundel beklijven.

    • Arie van den Berg