Verlos mij uit het Niets; De strijdliederen van Bruce Springsteen

Er komt geen greintje rock 'n' roll voor op The Ghost of Tom Joad, de nieuwste cd van Bruce Springsteen. Toch past dit gefluister in het duister in zijn oeuvre. “We hebben het hier zonder blikken of blozen over de Aard Der Dingen: wat het betekent om hier en nu een menselijk wezen te zijn.”

Bruce Springsteen geeft op 25 febr. en 26 febr. resp. in De Doelen, Rotterdam en Carré, Amsterdam, twee (uitverkochte) solo-concerten. The Ghost Of Tom Joad werd, evenals al zijn eerdere werk, uitgebracht op Columbia (Sony). Ook zijn andere platen en cd's zijn nog verkrijgbaar.

Mijn vader was acteur en kwam 's avonds vaak pas heel laat terug van een voorstelling in het land. Mijn moeder redde het meestal nog wel om wakker te blijven tot hij thuiskwam, maar moest vervolgens, wanneer hij eenmaal op de bank zat en aan zijn repertoire van gloedvolle tirades tegen de klootzakken in de wereld begon, al snel de handdoek in de ring gooien - zodat mijn vader alleen in de kamer achterbleef met zijn Camels of Caballeros en een hoog glas jonge jenever met Seven Up. 'Nog eentje, Lou, dan kom ik ook,' zei hij dan, 'doe het licht maar vast uit.' Ik weet niet wat hij daarvóór - onderweg vanuit Enschede, Zwolle of Nijmegen - allemaal gezien had in de duistere spiegel van het raam van de bus van het toneelgezelschap, maar het maakte het hem in ieder geval keer op keer onmogelijk om die belofte gestand te doen.

Toen hij zich eind jaren zestig onder de druk der omstandigheden een tijdlang van het toneel had teruggetrokken, werd zijn behoefte aan deze eenzame wake alleen maar sterker. Soms bleef hij wel tot een uur of drie, half vier in het donker zitten - niet wachten maar ook niet niet-wachten - en zo trof ik hem in die tijd (ik was een jaar of negentien, sinds een jaar van school, en stuurloos) vaak aan wanneer ik 's nachts thuiskwam. 'Waar heb je gezeten?' wilde hij mij dan vragen en 'waar ben je toch mee bezig?', maar deed het niet. 'Hoe was het vandaag?' wilde ik hem dan vragen en 'wat vreet er toch zo aan je?', maar ik deed het niet. Zonder elkaars gezicht te kunnen zien staarden we allebei in het donker naar een punt ergens halverwege de salontafel en zeiden na een tijdje alleen 'welterusten'. Het was alsof we van twee kanten aan dezelfde deur hadden staan trekken en geen van beiden als eerste los wilden laten - tot we allebei tegelijk loslieten.

Tien jaar later - mijn vader was twee jaar eerder overleden - legde een vriend van mij een plaat op de draaitafel, die geen label had en geen lege groeven tussen de nummers. Na enig vruchteloos geprik liet hij de naald tenslotte zakken in een applaus en gejuich dat klonk alsof de thuisploeg net het winnende doelpunt had gescoord en dat langzaam wegebde toen er plotseling, begeleid door een beverige piano en schroomvallige bas en drums, een stem weerklonk, hees en vol spijt: 'Well, papa go to bed now it's getting late / Nothing we can say is gonna change anything now / I'll be leaving in the morning from St. Mary's Gate / We wouldn't change this thing even if we could somehow.' Onmiddellijk stond ik weer, tien jaar terug, thuis in de duistere huiskamer te kijken naar het opgloeien van de sigaret in de mond van mijn vader, maar nu was er opeens iemand bij die zong wat ik toen niet zeggen kon. ' 'Cause the darkness of this house has got the best of us / There's a darkness in this town that's got us, too / But they can't touch me now / And you can't touch me now / They ain't gonna do to me / What I watched them do to you.' De titel van het lied was 'Independence Day', de stem van Bruce Springsteen, en de plaat een 'bootleg' van een radio-opname van een optreden in Cincinnatti, Ohio, ergens in 1978. In dat jaar verscheen zijn vierde elpee Darkness On The Edge Of Town en veroverde hij met zijn E-Street Band Amerika, avond aan avond, stad voor stad, tijdens vier uur durende marathon-concerten waarbij blinden ziend werden en lammen als Fred Astaire tegen de muren opdansten. Een klein kunstje voor iemand die in staat was om, nota bene via de muziek die de waterscheiding met de wereld van de vaders van toen veroorzaakt had, de verzoening met zijn vader uitdrukking te verlenen.

Direct nadat op diezelfde plaat de weemoedige coda van 'Independence Day' was verstorven, barstte de band met veel triomfantelijk klok-en-hamerspel los in een rock 'n' roll strijdlied waarmee Springsteen een heel leger op de been zou kunnen brengen - de krijgsmacht van het hart, oprukkend naar The Promised Land: 'For the ones who had a notion, / A notion deep inside / That it ain't no sin to be glad you're alive / I wanna find one face that ain't looking through me / I wanna find one place / I wanna spit in the face of these badlands.' Ik wist niet wat mij overkwam, of liever gezegd, ik wist het maar al te goed. Mijn geloof werd hersteld. Niets meer en niets minder. Het gevoel alsof je, na een eeuwigheid tegen de wind in gefietst te hebben, diezelfde wind opeens recht in de rug krijgt. Binnen drie minuten was mijn geloof in de verlossende kracht van de rock 'n' roll, dat begin jaren zeventig - toen de popmuziek door de mentale en muzikale vadsigheid van haar sterren een karikatuur van zichzelf dreigde te worden - een flinke knauw had gekregen, opeens weer zo goed als nieuw. Beter dan nieuw, want Springsteen (Freehold, New Jersey, 1949) herhaalde niet alleen een belofte uit het verleden, de belofte die Elvis ons al in het oor had gefluisterd - namelijk dat je leven wel eens heel veel meer zou kunnen gaan voorstellen dan iedereen je probeerde wijs te maken - hij verdubbelde de inzet door je te laten horen en voelen hoe het is om die belofte te hebben waargemaakt, hoe het is om Iemand te zijn, en Niet Alleen, en Vrij, en met een Bestemming. Daarin school ook de werkelijke betekenis van de befaamde en vaak misverstane kreet die Jon Landau (die later zijn manager en mentor zou worden) in 1974 had gelanceerd na het bijwonen van een concert in New York: 'I Saw Rock 'n' Roll Future And Its Name Is Bruce Springsteen': eindelijk iemand die het hele verhaal zou kunnen vertellen.

Amerikaanse Droom

Inmiddels heeft Springsteen zelf die toekomst - die hij in 1973 inging als de 'nieuwe Dylan' en in 1984 met Born In The USA wereldwijd verzilverde - alweer achter zich gelaten. Om niet net als Elvis de gevangene te worden van een droom die je alleen met anderen verbindt zolang hij niet is uitgekomen, moest hij, de meest complete rock-artiest aller tijden, Boss naast The King, tenslotte de rock 'n' roll overstijgen, in zijn leven en in zijn werk. Zijn laatste plaat, The Ghost Of Tom Joad, bevat geen greintje rock 'n' roll, maar - in het verlengde van zijn met een Oscar bekroonde titelsong van Jonathan Demme's film Philadelphia - een klein uur lang hees gefluister in het duister, tegen een achtergrond van monotoon en onheilspellend synthesizer-gezoem, spaarzaam verlucht met wat mond- op mondharmonica-beademing en instemmende gitaar-akkoorden. De nadruk ligt geheel op de teksten, zozeer zelfs dat het eigenlijk meer een plaat is om te lezen dan om naar te luisteren. Dat is waarschijnlijk ook een van de redenen voor de grote bijval die 'Tom Joad' heeft ondervonden van zelfs de Britse muziekpers, die altijd nogal zuinig reageerde op het luide en duidelijke appèl dat het muzikaal en emotioneel zwaarder aangezette eerdere werk van Springsteen op het gemoed doet. Een andere reden is de ziekelijke gretigheid waarmee een groot deel van de Europese culturele intelligentsia nog steeds elk signaal van de ontluistering van de Amerikaanse Droom opzuigt - voorbijgaand aan het feit dat Amerikaanse zelfkritiek nooit los gezien kan worden van het fundamentele geloof in de geldigheid van die Droom. Een droom die in laatste instantie niets te maken heeft met de hoeveelheid auto's, face-lifts en zwembaden die je je kunt veroorloven, maar alles met ieders recht op een menswaardig bestaan. Het is een geloof dat elke dag weer en op grote schaal geloochenstraft wordt, vaak op brute wijze - maar wie het verloochent, wie het geloof in dat recht opgeeft, verspeelt, vind ik, zijn eigen recht om zelfs maar te bidden.

Hoewel de titel van de plaat refereert aan de hoofdpersoon uit Steinbecks, door John Ford verfilmde roman The Grapes Of Wrath - over het ellendige lot van de berooide boerenfamiles die tijdens de Grote Depressie naar Californië, Het Beloofde Land, trokken - speelt geen van de verhalen op The Ghost of Tom Joad in de jaren dertig. Maar ook in de 'new world order' zijn er, zoals het in de titelsong heet, nog steeds 'families sleepin' in their cars in the Southwest / No home no job no peace no rest'. De Amerikaanse highways die elkaar in het vroege werk van Springsteen uiteindelijk allemaal leken te kruisen in The Promised Land achter de horizon, zijn gevuld met mensen die op zoek gaan naar iets beters om ten slotte uit te komen op iets dat nog veel slechter is.

De personages in de songs op 'Tom Joad' zijn allemaal, soms letterlijk, soms figuurlijk, 'grens-gevallen'. De Mexicaan die droomt van het land van melk en honing aan de andere kant van de omheining waar hij vannacht overheen zal klimmen. De gebroeders Rosales, die de grens al eerder illegaal zijn overgestoken en de fruitpluk in California verruilen voor een baan in een drugs-laboratorium dat ten slotte ontploft. Een andere 'wetback', een jongen die zich Spider noemt, verhuurt zijn maag voor het vervoer van cocaine en de rest van zijn lichaam voor seks. Een Vietnam-veteraan die dienst heeft genomen bij de grenspolitie en, verliefd op een illegale immigrante, zelf over de schreef gaat. Grimmige reportages over de onderbuik van de Amerikaanse samenleving in de traditie van fotograaf Walker Evans en folksinger Woody Guthrie. Maar het mooist en het meest wezenlijk voor het werk van Springsteen zijn de songs waarin de grens die overschreden wordt een innerlijke is, zoals 'New Timer', waarin een man vrouw en kinderen verlaat om werk te zoeken, maar geleidelijk zijn band met thuis verliest en gewend raakt aan een doelloos zwervend bestaan. In 'Straight Time' is het een ex-gevangene die, geketend door de grenzeloze mogelijkheden die de vrijheid hem biedt om arm te blijven, op het punt staat door het lint te gaan ('I got a cold mind to go tripping 'cross that thin line / I'm sick of doin' straight time') en in 'Highway 29' een schoenverkoper die door een vrouw verleid wordt om een bank te overvallen maar de schuld voor de ellendige gevolgen uiteindelijk niet in haar schoenen kan schuiven ('I knew it was something in me / Something that'd been coming for a long long time'). Springsteen vertelt hun verhalen op gedempte toon, op muziek die schittert door afwezigheid en in beelden die getuigen van een goed gevoel voor de precisie-poëzie van het 'dirty realism' ('Kitchen floor in the evening, tossin' my little babies high / Mary's smiling, but she's watching me out of the corner of her eye.') Het enige lichtpuntje in de duisternis op 'Tom Joad' is het moment dat iemand besluit om níet over de streep in het zand te stappen: door op het moment suprême zijn mes in zijn zak te houden doorbreekt visser Billy Butler in 'Galveston Bay' de vicieuze cirkel van wraak en weerwraak.

In een recent interview heeft Springsteen gezegd dat de songs op 'Tom Joad' in emotionele zin autobiografisch zijn, en dat is juist. 'There but for fortune go I,' is bij hem een diepgeworteld besef als het gaat om mensen die op wat voor manier dan ook buiten de boot zijn gevallen en niet over de middelen, het geluk of het vertrouwen beschikken om weer terug aan boord te klauteren. Niet alleen zal hij nooit vergeten dat hij er zonder het succes en de steun van zijn rock 'n' roll waarschijnlijk net zo aan toe zou zijn als zij, het lot van degenen die mentaal en moreel op drift zijn geraakt weerspiegelt ook zijn meest fundamentele gemoedstoestand, die tegelijkertijd de meest fundamentele gestemdheid van de Amerikaanse ziel is: een toestand van permanente existentiële verontrusting, voortkomend uit een vermoeden dat er ooit iets heel ergs is gebeurd, zonder dat iemand precies weet wat. Misschien is dát - een verborgen misdaad - wel de Amerikaanse versie van de erfzonde; met als straf het voortdurende unheimische gevoel dat er een naamloos beest door de tuin sluipt - dat dromen sloopt, beloften verbreekt, kaarten doorsteekt, mensen vervreemdt en schijnbaar zonder reden verschrikkelijke dingen kan laten gebeuren. Terwijl jij als goede Amerikaan je zegeningen aan het tellen bent, houdt het beest je verliezen bij. Overal waar er gaten vallen in de verhoudingen tussen mensen onderling - regering en volk, man en vrouw, vader en zoon - steekt het beest de kop op en buigt alles van waarde om tot vicieuze cirkels waarbinnen mensen stukje bij beetje van binnen doodgaan.

Daarover, over hoe mensen, wanneer ze eenmaal in een isolement raken, langzaam op kunnen lossen in hun eigen innerlijke duisternis tot ze louter schaduw zijn en niets maar dan ook niets er meer toe doet, gaan veel van Springsteens somberder songs - zoals die eigenlijk sinds Darkness On The Edge of Town in toenemende mate op zijn platen zijn terechtgekomen.

Handvest

Op Born To Run, de monumentale elpee - een samenvatting van twintig jaar jukebox openbaringen - waarmee hij in 1975 de rock 'n' roll-gemeenschap van een nieuw handvest voorzag, heeft hij nog een onwrikbaar vertrouwen in de rock 'n' roll als het Grote Voertuig voor het verwezenlijken van onze dromen, zoniet vandaag, dan toch in ieder geval morgen, of liever gezegd: Tonight! Het geloof in The Promised Land, daar gaat het om - en juist dat stelt Springsteen op de proef op 'Darkness', wanneer hij, in het besef dat veel van zijn vrienden nog slechts met hun nagels aan de Amerikaanse droom hangen, en bij wijze van spreken al bijna de stad uit zijn, zijn wagen keert en de confrontatie aangaat met alle dingen die je in je leven van je kracht kunnen beroven, met de prijs die je betaalt als je niets hebt en alles wilt.

Op zijn volgende, The River, niet voor niets een dubbel-elpee, is de stemming van grimmige vastberadenheid die op 'Darkness' overheerste uiteengevallen in de af en toe nogal geforceerd aandoende uitgelatenheid van iemand die koste wat kost vast wil houden aan zijn rock 'n' roll geloof enerzijds en anderzijds de wanhoop van iemand die voelt hoe alles, niet alleen zijn geloof, maar ook zijn hoop, zijn liefde en ten slotte zijn hele leven hem door de vingers aan het glippen is zonder dat hij daar zelf enige controle over lijkt te hebben. De hoofdpersonen op Nebraska, de elpee die hij in 1982 thuis in z'n eentje op een bandrecorder opnam, en de meest genadeloos desolate plaat ooit verschenen is, zijn zelfs die wanhoop voorbij. In het volstrekte 'wasteland' waarin zij zich bevinden komt er nog maar één principe bovendrijven: om met de jongen te spreken die tijdens een ritje met zijn meisje tien mensen had doodgeschoten en vlak voor zijn executie gevraagd werd naar het waarom, 'Well sir, I guess there's just a meanness in this world'. De songs op Nebraska zijn een soort worst case scenario's voor de gevolgen van het vastlopen van de Amerikaanse Droom maar ook voor het vastlopen van Springsteens eigen leven.

Dankzij de rock 'n' roll had hij zich weten te bevrijden uit de duisternis die hij van thuis had meegekregen, maar nu was hij op een donkere wolk gestoten, die hij niet meer met zijn gitaar kon verdrijven, omdat ze daarvan juist de schaduw was. 'Crashing into the walls of the dream room,' heeft hij dat zelf genoemd, en de enige manier om uit die met droom-restanten gecapitonneerde isoleercel te ontsnappen, was om zich, zoals hij op Nebraska heeft gedaan, tot op het bot uit te kleden - muzikaal, tekstueel, emotioneel. 'Deliver me from nowhere' is op die plaat tot twee keer toe de slotzin van een song, verlos mij uit het Niets, en zijn grote jongensstem krimpt tot het nachtelijk gehuil van een gewond beest.

De ware Amerikanen

Met de erkenning dat er een grens is aan zijn levensveranderend vermogen heeft de rock 'n' roll echter voor Springsteen niet afgedaan, integendeel: op Born In The USA gebruikt hij het Grote Geluid Dat Van Je Hart Een Vuist Maakt om harder dan ooit tevoren op de poorten van The Promised Land te bonzen en er nogmaals op te hameren dat niet Reagan cum suis de ware Amerikanen zijn maar de gehavende Vietnam-veteraan uit de titelsong en alle anderen die door Washington aan hun lot zijn overgelaten. Niet accepteren dat je buitengesloten wordt, is sowieso de boodschap van zijn rebellie. Onder het klaroenschallende oppervlak worden er echter weinig opwekkende mededelingen gedaan. De plaat begint en eindigt met songs over nationale tragedies (het Vietnam-trauma en de Reagonomische Crisis) en daartussenin gaat het niet alleen over doodsangst, het einde van een beste vriendschap en de nachtmerrie van het niets meer te zeggen te hebben, maar ook over zijn uit ambivalentie geboren onvermogen om werkelijk verlossing te vinden in de liefde - de pijnlijke keerzijde van zijn grote verlangen ernaar.

Deze laatste vorm van 'crashing into the walls of the dream room' zou ook het thema vormen van Tunnel Of Love, een introspectief meesterwerk en misschien wel zijn meest volwassen plaat - met daarop opnieuw een song over zijn vader, die zijn hele leven met een blikje Budweiser en smeulende lont in de verduisterde keuken van zijn huis is blijven zitten. In 'Walk Like A Man' kijkt Springsteen, staande voor het altaar, nog een keer om naar deze man met wie hij zich, als Kaïn met Adam, verbonden weet door een 'love in chains': 'Well now the years have gone and I've grown / From that seed you've sown / But I didn't think there'd be so many steps / I'd have to learn on my own / Well I was young and I didn't know what to do / When I saw your best steps stolen away from you.'

Platen maken is voor Springsteen altijd een manier geweest om de duistere hoeken uit te lichten van in feite hoogst persoonlijke dilemma's die hij door middel van de heilige heisa van zijn rock en soul, de koppeling met de American Dream en het verbroederingsritueel van zijn optredens op een hoger plan tot verzoening bracht. Maar het hart van zijn werk is altijd vrij donker gebleven, een knagend gevoel van hopeloosheid als gevolg van het voortdurende innerlijke gevecht tegen de maatschappelijke, psychologische en metafysische bierkaai; een gevecht dat nooit echt is beslist, hoogstens - gevoed door de rebellie tegen elke vorm van fatalisme die de rock 'n' roll eigen is - gesublimeerd tot hoop-tegen-beter-weten in, waarmee je jezelf en de ander een hart onder de riem kunt steken. Dat gevoel, in combinatie met een honger naar contact die zo sterk is dat hij elke vorm van vrijblijvendheid uitsluit, ligt ten grondslag aan een oeuvre dat - als The Great American Novel van de rock-cultuur - in kracht en diepgang nauwelijks zijn weerga kent. We hebben het hier zonder blikken of blozen over de Aard Der Dingen: wat het betekent om hier en nu een menselijk wezen te zijn, 'born to live' - het vreemde daarvan, het glorieuze, het beangstigende. Nu ons gevoel voor wat werkelijk is steeds brozer en diffuser wordt, zou iemand als Springsteen wel eens ons laatste houvast kunnen zijn. Zijn werk is, als alle waarlijk grote kunst, een toetssteen voor de meest prangende vraag die het leven je kan stellen, of liever gezegd: het leven IS die vraag.

Dus wat gaat het worden, 'Ja' of 'Nee'?

Let's dance.