Verloren 'Shakespeare' als klucht

Voorstelling: Edmund Ironside door de Firma Rieks Swarte/Stichting Toneelschuur produkties. Vertaling: Job Lisman/Niek Barendsen; regie en decor: Rieks Swarte; kostuums: Carly Everaert; spel: Rogier in 't Hout, Frank Houtappels ea. Gezien: 22/2 Toneelschuur Haarlem. Aldaar t/m 29/2, tournee t/m 28/4.

Engeland 1016. Onder het toeziend oog van hun vorsten slaan het Engelse en Deense leger elkaar tot moes. Er vinden massaslachtingen plaats en er vloeien hectoliters bloed, lichamen worden aan rafels gereten, de afgehakte handen, neuzen en andere ledematen vliegen je om de oren en afgehouwen hoofden worden als bloederige trofeeën op zwaarden gespiest - maar na een uur en drie kwartier is alles van de ene op de andere minuut als bij toverslag vergeten en vergeven. De vijanden die zojuist nog liever dood bleven dan elkaar de hand te reiken drukken elkaar aan hun boezem, sluiten vrede en verdelen het land waar ze zich met hart en ziel voor in de strijd hadden geworpen.

Ziedaar de plot van het anonieme 16de-eeuwse toneelstuk Edmund Ironside. Een armzalig verhaaltje met een volslagen uit de lucht gegrepen eind. Grand guignol die moeilijk serieus is te nemen. Toch menen sommigen in deze karikaturale geschiedenis die eeuwen onopgemerkt en onuitgevoerd op de plank bleef liggen, een onbekend jeugdwerk van Shakespeare te herkennen, een voorstudie voor zijn twee jaar later (in 1590) verschenen gruweldrama Titus Andronicus.

Een stuk, terecht of niet, toeschrijven aan Shakespeare betekent dat het gespeeld moet worden en zo kunnen we nu dan gaan kijken naar de eerste Nederlandse uitvoering, van de hand van theatermaker Rieks Swarte die de tekst triomfantelijk presenteert als 'Shakespeares lost play'.

Swartes uitgangspunt is: het stuk spelen zoals het waarschijnlijk vierhonderd jaar geleden werd gespeeld. En dus schotelt hij ons geen realisme voor - dat kende men niet in die tijd - maar een voorstelling als een boertige klucht waarin de acteurs de emoties breed uitmeten en zich bedienen van een groteske speelstijl en theatrale handgebaren.

Van begin tot eind mogen ze naar hartelust vloeken en tieren en elkaar met houten zwaarden en messen te lijf gaan. Op het hoogtepunt van de strijd ligt de kaal geschrobde plankenvloer bezaaid met verminkte en rood gekleurde lappenpoppen. Terwijl een eenmanskoor in de gedaante van een vrouw de gebeurtenissen samenvat beeldt Rieks Swarte vanachter een laken een miniatuurveldslag uit met gefiguurzaagde figuurtjes.

Gefiguurzaagde poppetjes en attributen van golfkarton - het is Swartes handelsmerk: een opzettelijk naïeve stilering, speels maar weinig verrassend. Al even voorspelbaar als de meermalen herhaalde grap dat Swarte, bode in het verhaal, na opkomst onmiddellijk een mes in zijn ribben krijgt en geluidloos ineen zakt. En die voorspelbaarheid geldt voor heel de voorstelling. Personages zijn slecht of personages zijn dom - meer nuancering is er niet en van enige karakterontwikkeling is geen sprake.

Slechter dan slecht is de overloper en intrigant Edricus, “een koopman in geruchten, een handelaar in roddel”. Loerend kijkt hij uit zijn ogen, vals is zijn lach. Ook slecht maar dommer dan de uit de klei getrokken Edricus is de Deense koning Canutus. Met hanig vooruitgestoken borst onder een grauw witte bontjas loopt hij pochend rond en tiranniseert hij zijn ondergeschikten.

De meeste acteurs spelen dubbelrollen en wisselen veelvuldig van kleren terzijde van de speelvloer. Daar wordt ook gemusiceerd en a capella gezongen terwijl personages op en afgaan via twee uit wankele latten opgetrokken poorten. Men doet kortom vreselijk zijn best er een levendig schouwspel van te maken maar alle inspanningen kunnen niet verhullen dat deze plotseling ontdekte en uit de mottenballen getrokken Edmund Ironside geen verrijking is van de toneelliteratuur.

    • Noor Hellmann