Schitterende ogen in een spookkasteel; Kunstbeschouwingen van Toine Moerbeek

Toine Moerbeek: Paard en beest. Uitg. Van Oorschot, 264 blz. Prijs ƒ 55,-

Al na een paar bladzijden te hebben gelezen in Paard en beest, de essaybundel van Toine Moerbeek over schilderkunst, moest ik aan Lodewijk van Deyssel denken. Die schreef ooit, in een artikel waarin hij de schrijver Frans Netscher met de grond gelijk maakte: 'Ik houd van proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen.'

Net Moerbeek, die man.

Wanneer je Paard en beest openslaat heb je het idee dat de schrijver onmiddellijk op je af stapt, onbevangen, zijn ogen schitterend en inderdaad met 'groote gebaren'. 'Onlangs droomde ik iets interessants' luidt de openingszin van de bundel, en daarmee is de toon voor de rest van het boek wel gezet. Paard en beest gaat in de eerste plaats over beeldende kunst, maar zeker zo nadrukkelijk over Moerbeek zelf. Hij rijgt zijn beschouwingen aan elkaar met een stroom van persoonlijke associaties en doet dat zo nadrukkelijk dat de auteur regelmatig voor zijn onderwerp schuift. Als lezer moet je dan bereid gevonden worden hem te volgen.

Aanvankelijk werkt het aanstekelijk, dat enthousiasme en die grote toon: je hebt het gevoel met een 'persoonlijkheid' te maken te hebben, om die Forum-term nog maar eens te gebruiken. Bovendien heeft Moerbeek een duidelijk afgebakend terrein binnen de beeldende kunst uitgekozen om over te schrijven: de 'klassieke schilder- en beeldhouwkunst', van kunstenaars als Gericault, Spencer, Giacometti, Valloton, Paula Rego, Georgia O'Keeffe en Rodin. Aan moderne, hedendaagse kunst doet Moerbeek niet - de enige uitzondering is de fotografe Cindy Sherman.

Uit zijn stukken blijkt dat Moerbeek op deze kunst gesteld is, er zelfs gepassioneerd van raakt; Moerbeek is inderdaad een auteur wiens ogen beginnen te schitteren als hij naar kunst kijkt, die bevangen raakt van grote emoties en zich daarvoor geen moment schaamt: 'Ik schrijf over beeldende kunst zoals iemand anders over de liefde' merkt hij al na een paar bladzijden op.

Toch krijgt die verliefdheid na verloop van tijd iets vermoeiends en kokets. Moerbeek blijft maar terugkomen op zijn voorkeur voor hoeren en boudoirs en als hij op de helft van het boek dan ook schrijft over zijn 'eeuwige verliefdheid' geloof je hem onmiddellijk, want Moerbeek is verliefd op alles en iedereen. Op de eerste viereneenhalve bladzijde passeren bijvoorbeeld de maagd Maria, Pieter Brueghel, Stanley Spencer, Jan Greshoff, Jezus Christus, Otto Dix, Pyke Koch, Lucian Freud, Paula Rego, James Joyce, Michelangelo da Carrodor Dostojevski, Gerard ter Borch, Ter Borchs halfzuster Gesina, Peter Paul Rubens, en natuurlijk Moerbeek zelf. Daarnaast blijkt de auteur de vervelende gewoonte te hebben om te doen of een kunstwerk verklaard wordt als het in een stroming is ondergebracht, wat zinnen oplevert als: 'Magrittes surrealistische wereld werd renaissancistisch. Dat wil zeggen: architectonisch, geordend volgens het principe van het centraal perspectief.' Echt ergerlijk wordt Moerbeeks egomanie in de illustraties. Volgens de onderschriften ('Op wandel, 1964, Roger Raveel.' of 'Johannes de Doper, ±1600, Caravaggio') zouden dat de originele kunstwerken zijn, maar dat is bedrog: stuk voor stuk zijn het tekeningen van Toine Moerbeek. En daardoor ontneemt de auteur de lezer de kans de objecten van zijn hartstocht nog eens goed te bekijken - je wordt gedwongen de wereld te beschouwen door Moerbeeks ogen, Moerbeeks hand.

Door die tekeningen wordt duidelijk dat beeldende kunst eigenlijk pas de tweede interesse van Moerbeek is. Hij is in de eerste plaats verliefd op zijn eigen verliefdheid - Paard en beest is niet slechts de beeldende kunst volgens Toine Moerbeek, maar het hele universum, waarin beeldende kunst toevallig een belangrijke rol speelt. Naar het einde kreeg ik steeds sterker het gevoel opgesloten te zitten in een spookkasteel zoals je dat in oude griezelfilms wel eens ziet: waar je ook loopt en waar je ook naar kijkt, overal dwaalt de geest Moerbeek rond, met zijn schitterende ogen en grote gebaren, die maar een doel lijkt te hebben: je duidelijk maken dat zijn kasteel de hele wereld is. En hoe dichter ik het einde van het boek naderde hoe hartstochtelijker ik daaruit wegwilde.