Nijd in het hart; Frans Kellendonks Mystiek Lichaam als toneelstuk

Johan Doesburg brengt binnenkort Frans Kellendonks roman Mystiek Lichaam op het toneel. Leent dit omstreden boek zich voor een toneelbewerking? “De doortimmerde constructie van zijn boek steunt op het drijfzand van een zeer vaag soort onvrede.”

Mystiek Lichaam door het Nationale toneel in de regie van Johan Doesburg gaat op 8 maart in première in Theater a/h Spui in Den Haag. Tournee t/m 25 mei. Inl. 070-3565363.

Nu regisseur Johan Doesburg bezig is met een toneelversie van Frans Kellendonks roman Mystiek Lichaam, bij het Nationale Toneel, bedenk ik hoeveel wegen hij in kan slaan. Hij kan er een grotesk sprookje van maken, maar ook een soap-opera, een loodzware filosofische verhandeling, wortelend in oudtestamentische rotsbodem, maar ook een lichtvoetige musical. En dat is dan alleen nog maar de vorm, de strekking is weer een heel ander verhaal.

Mystiek Lichaam (1986) vertelt de geschiedenis van een familie, de Gijselharts. Ma is dood, pa - een sjacherende maar daarmee wel rijk geworden Archie Bunker - leeft nog en wacht op de zoveelste terugkeer naar het ouderlijk huis van Prul, zijn dochter Magda. Ze komt inderdaad terug, zwanger deze keer, en wel van de jood Pechman. Wie ook terugkeert, heel wat minder vurig verwacht, is de verloren gewaande zoon Leendert alias Broer, een homoseksueel die waarschijnlijk de nieuwe ziekte (lees: aids) onder de leden heeft. Later, als de baby geboren is, neemt ook Pechman zijn intrek. Aan het slot blijven de oude Gijselhart en zijn ten dode opgeschreven zoon achter.

Heel veel meer gebeurt er niet, het gaat erom dat de personages elkaar het leven verzuren en om het beeld dat zij van zichzelf en elkaar hebben. Kellendonk doorspekt hun geschiedenis bovendien met cultuurfilosofische bespiegelingen.

Ik las het boek opnieuw, evenals veel van de grimmige artikelen die de publikatie tot gevolg had. De toenmalige criticus en huidige staatssecretaris van Cultuur Aad Nuis had het in zijn recensie over 'sluiers van antisemitisme' en in Vrij Nederland herriep Carel Peeters zijn aanvankelijk gunstige kritiek later weer. Er was zoveel verwarring dat men nauwelijks aandacht had voor de superieure humor in het omstreden boek. Ik stel me zo voor dat zelfs degenen die zich kwaad maakten vaak hebben gegrinnikt.

De humor is, los van inhoud en strekking, een kwestie van stijl. Die sprankelt en fonkelt. 'Af en toe gaapte hij roze' staat er, letterlijk alleszeggend, over een baby, en, over de overleden vrouw van het personage Gijselhart: 'Wat een dichtgeknoopte trien was dat toch geweest, met haar handschoentjes, haar lippenstift en jujubes die almaar zoek raakten in haar handtas, God hebbe haar ziel.' Hij gebruikt wellicht iets te vaak parmantige, oud-Hollandse woorden, maar Kellendonk (1951-1990) had een feilloos oog voor detail en een dito talent voor het beschrijven daarvan.

De moeilijkheden van een bewerker werden door Kellendonk zelf, in een interview in deze krant (9 mei 1986) en in een heel ander verband, het best verwoord. 'Zo ongeveer alles wat Henry James en de narratologie verboden hebben, (-) heb ik gedaan in dit boek. Het verhaal wordt verteld uit twee gezichtspunten, van de oude Gijselhart en zijn zoon, die weer ondergeschikt zijn aan het gezichtspunt van de verteller, een narratologisch monster, die de gedachten van de figuren herformuleert, interpreteert, die vrijelijk bespiegelt en essayeert, uit het verhaal springt en dan op eigen gelegenheid eens flink de waarheid vertelt.'

Maar liefst drie vertellers dus, waarvan één alwetende, die bijvoorbeeld schrijft: “Binnen in Broer zat onderwijl een klaarwakkere haat zijn nagels te scherpen.' Wat kan een bewerker anders met zo'n juweel van een zin dan betreuren dat hij hem niet gebruiken kan? Zeker, hij kan haat laten spelen, zichtbaar, op het expressionistische af, maar de prachtige formulering, het bijna tastbare beeld, ontglipt hem. En wat te doen met de volgende zin: 'Net in de dertig had ze de tijd rijp geacht om te klagen over de grilligheden van haar bloeddruk'? Of met de volgende passage? 'In de nacht van twee op drie maart 1963 schudde ze Gijselhart wakker. ,O Pappie, Pappie, wil je me vergeven?' Hij bromde dat ze niet zo mal moest doen. 'Ga toch slapen, trien.' Toen hij de volgende ochtend oudergewoonte uit zijn achterste trompetterde om haar het bed uit te jagen bleek ze levenloos naast hem te liggen.'

Versnelling

Laten spelen? Nee. De vrouw van Gijselhart is nauwelijks aanwezig in het boek en het is daarom veel te omslachtig om haar op het toneel te introduceren. Bovendien schuilt de kracht van de passage niet alleen in de formulering - met name in de precieze aanduiding van het tijdstip, die sowieso niet te spelen is maar intussen wel de helft van het grappige effect van de mededeling uitmaakt - maar minstens zozeer in de snelheid (enkele alinea's) waarmee Kellendonk leven en dood van deze figuur behandelt. Die versnelling, die op zichzelf ook weer verrassend is, ervaart alleen de lezer.

Ongetwijfeld met nijd in het hart moet de bewerker zich beperken tot mono- en dialogen en tot onderscheidbare scènes. Daar zijn er (brieven meegerekend) genoeg van. Bij de scènes doemt - ik kan er niets aan doen - niet Johan Doesburg maar de cineast en theatermaker Alex van Warmerdam op. Alleen de naam 'Pechman' al: die heeft hij zelf al eens verzonnen voor een van zijn theaterstukken als ik me niet vergis. Hem zie ik in elk geval met succes Broers voornemen in beeld brengen om Bruno Pechman, de 'verkrachter' van zijn zus en vader van zijn neefje Victor, te vermoorden. Als Magda alias Prul op het erf uit de auto is gestapt, kijkt ze direct naar boven ('gezicht jonge mijnwerkersweduwe'), naar haar broer die met het geweer aan de schouder in het raam staat. Met het kind op haar arm zegt ze lijzig: 'Schaam je Leendert wil je soms een bloedbad?' Weg is de spanning dan en het absurde, het groteske en het Bordewijkse, oer-Hollandse knullige komen er voor in de plaats.

Nadat ze haar broer gemaand heeft niet 'zo Zuideuropees' te doen, gaat Prul op bevel van Pechman vlak naast het geopende autoportier staan, zodat hij achter haar rug kan kruipen. 'Met twee mannetjes aan zich vastgeklampt, éen van voren en éen van achter, bewoog ze zich fier en omslachtig naar de voordeur, terwijl Broer vanuit het raam loze dreigementen wegslingerde naar de indringer, die wat kleiner was dan Magda en behalve een glimpje schedelhuid alleen twee weldoorvoede flanken aan de openbaarheid prijsgaf.'

Op die flanken aan weerszijden van 'het vleesgevaarte' kan een camera inzoemen, op toneel blijft er van het komieke beeld niets over.

Is het dan onmogelijk Mystiek Lichaam op het toneel te brengen? Op dit punt - in afwachting van de voorstelling - moet het laffe antwoord ja en nee luiden. Op toneel zijn lange statische monologen gebruikelijker dan in een film. En Mystiek Lichaam is behalve een sprookje een tractaat, een tractaat met personages, allegorische personages zelfs, die allemaal één taal spreken: die van hun schepper. Dat vergemakkelijkt het werk van de toneelbewerker aanzienlijk, over psychologie hoeft hij zich niet te bekreunen. Met weglating van alle beschrijvingen en zelfs van scènes kan hij met de dia- en monologen en de brieven heel goed een tekst samenstellen die recht doet aan het gedachtengoed van het boek. Zijn voorstelling wordt dan een volwaardige versie, hoe geamputeerd ook.

Met die amputaties valt te leven, de toneelregisseur beschikt op zijn beurt over middelen die de schrijver ontbeert. Met belichting, muziek, spel en acteurs kan hij zijn eigen accenten leggen en zijn eigen ontroering bewerkstelligen. Maar van het grootste belang is dan wel dat hij een coherent beeld heeft van het boek. Dat hij, met andere woorden, weet wat het betogen wil. Het doet er niet toe dat de betekenis die hij erin ziet en eruit haalt nooit meer dan een interpretatie zal zijn, als die op zichzelf maar klopt. Ze zou, in moreel opzicht, niet eens hoeven deugen.

Die verwijzing naar moraal zet me met beide benen middenin de poel waarin Kellendonks boek direct na verschijning kopje onder ging. Het werd de speelbal van een wervelwind aan kritiek. Zijn boek zou verwerpelijk zijn, reactionair, anti-homo en antisemitisch. Van de weeromstuit werd het ook bejubeld, uiteraard vooral na Kellendonks dood: wat dat betreft business as usual. Maar tegen- en voorstanders gaven er blijk van nauwelijks te weten wat ze aanvielen of verdedigden. De één ontwaart antisemitisme, de ander juicht het toe dat die pedante nichten eens op hun nummer worden gezet, weer een ander ziet er met gemak de hele wereldliteratuur in weerspiegeld. Maar de juichers tronen parasitair op de golven van verontwaardiging die het boek veroorzaakte, de boe-roepers gaan er in ten onder en allen zwijgen over wat Kellendonk nu echt heeft willen beweren.

Vlees

Ik vraag me af of de schrijver het zelf goed geweten heeft. De doortimmerde constructie van zijn boek steunt op het drijfzand van een zeer vaag soort onvrede. Zijn boek gaat, aan de hand van 'een geschiedenis' (die van de familie Gijselhart) over De Geschiedenis, en wel over die 'van het vlees'. Wie zich voortplant, doet daaraan mee, wie dat niet doet, zoals homoseksuelen (die nota bene ook nog eens de dood aan elkaar doorgeven), niet.

Maar voor wie vervolgens zou willen weten of het erg is om buiten de Geschiedenis van het Vlees te vallen, biedt het boek al heel wat minder klare taal. Het rept van het mystieke lichaam, het verbond tussen alle mensen, levenden en doden, het spreekt zich laatdunkend uit over de geschiedenis van de idee, de kunst en de wetenschap en zelfs railleert het over de verdienste van de 'heilig' genoemde moeder. 'Ik zal worden vergeten' zegt de homoseksuele Broer in gedachten tegen Magda 'maar jij malle bep die je benen niet op slot kunt houden zult voortleven in je kinderen en kindskinderen, tot in de eeuwen der eeuwen.'

Ik bewonder opnieuw de stijl, maar ook denk ik: so what, druiloor? Met te zeggen dat er tegenover deze materialistische visie, dit 'Paulinische wereldbeeld' zoals Kellendonk het zelf noemde, een minstens even gloedvol pleidooi voor de idee en de kunst te plaatsen valt, is men er niet. Het gaat om de vraag waarom Kellendonk dit standpunt inneemt, waarom het zo allemachtig fijn is niet zozeer om een kind te hebben maar om als een biologische herinnering voort te leven, tot in de eeuwen der eeuwen. Anders gezegd: eerder dan in zijn 'oplossing' (geen mooi boek schrijven maar je voortplanten) ben ik geïnteresseerd in zijn probleem. Pas als ik dat begrijp, kan ik de oplossing waarderen, eerder niet. Maar antwoord op die vraag geeft hij niet. Dat hangt, om met hem te spreken, als 'een haveluinige schaduw' boven zijn boek. En met zo'n antwoord kan men het bezwaarlijk eens of oneens zijn.

Dezelfde mist omringt Kellendonks preoccupatie met joden, of liever met De Jood. Daarover kraken zijn personages en ook de alwetende verteller even harde als bekende noten. Het zijn veelal ironisch verwoorde vooroordelen, en - o opluchting - ironie bedoelt het tegendeel te beweren van wat het beweert, maar sommige zijn dat per se niet. Maar veel dwingender dan de vraag of Kellendonk een antisemiet is of niet, is die naar het waarom van zijn fascinatie.

Ik kan bedenken dat het joodse volk het aartsvaderlijke is en toch nog steeds bestaat en daarmee het symbool is van de overleving en de bejubelde voortplanting; temeer daar het 'joodse vlees' voortleeft via de lijn van de moeder, die zoals gezegd heilig is. Dat kan ik, zoekend naar een antwoord, bedenken.

Maar ik vind haar zelf wat mager, die verklaring, net als het door de essayerende verteller verwoorde inzicht: 'Flikkerij en jodendom, dat was van hetzelfde overbodige laken een pak'. Is dat homohaat? Antisemitisme? Overbodig ten aanzien van welk doel trouwens? Geen idee, ik begrijp nauwelijks wat er staat. Het is geen politicus die het zegt, in de Tweede Kamer, dus een bedreiging kan ik er niet in zien, zomin als een belediging. Er is wel meer overbodig waarvan ik blij ben dat het bestaat. Ik zie er geen bedreiging in en geen belediging, noch een pleidooi van een advocaat van de duivel. Ik denk alleen maar dat de grootse stilist Kellendonk een iets minder grootse didacticus herbergde: hij maakt niet voldoende duidelijk wat hij bedoelt.

Wie weet doet bewerker en regisseur Johan Doesburg dat wel en wie weet slaagt hij er ook nog in zijn inzichten doeltreffend te stileren. Ik ben benieuwd naar zijn voorstelling, maar niet omdat hij destijds vergeefs getracht heeft Fassbinders voor antisemitisch gehouden stuk Het vuil, de stad en de dood op te voeren. Als hij er op uit is te provoceren, is dat volmaakt oninteressant. Heel veel mooier zou het zijn als hij er blijk van zou geven Mystiek Lichaam begrepen en doorgrond te hebben, als hij er boven zou staan. Dat is trouwens een overbiddelijke voorwaarde. Mij lijkt het een hels zoniet onmogelijk karwei.

    • Pieter Kottman