Niet ondergaan

Elke avond, als de zon onderging, klom de klipdas op een klein heuveltje en riep: “Niet ondergaan! Niet doen! Wil je dat wel eens laten! Ik waarschuw je!” Hij zwaaide met zijn vuisten, sprong op en neer en kreeg tranen in zijn ogen van woede.

Maar de zon ging altijd onder.

Als het laatste stukje van de zon achter de horizon was verdwenen droogde de klipdas zijn tranen, schudde zijn hoofd en ging naar huis. Hij woonde in een klein, donker huis, midden in de steppe. Hij kende niemand en niemand kende hem.

Als hij thuis was ging hij op zijn bed liggen en dacht er over na waarom de zon nooit deed wat hij vroeg. Hij zou toch wel één keer op kunnen blijven... Dat is toch niet te veel gevraagd? dacht hij. Of zou ik nog bozer moeten worden? Zou ik ergens mee moeten dreigen? Dat ik hem een schop zal geven? Of dat ik iets heel ergs van hem zal zeggen? Of dat ik ga verhuizen zodat hij voor niemand meer schijnt?

Met zijn armen onder zijn hoofd dacht hij na. Hij wilde ook wel naar de horizon gaan om de zon tegen te houden. Maar hij wist dat dat te ver was.

Of moet ik hem hierheen lokken, dacht hij. Met iets lekkers. En hem dan vlug vastbinden?

Na enkele uren viel hij altijd in slaap. Als hij wakker werd scheen de zon al weer en dacht de klipdas schamper: ja ja, zeker berouw, hè, dat kennen we... Hij zette een brede hoed op zijn hoofd, zodat hij de zon niet hoefde te zien, en ging naar buiten.

Maar tegen de avond klom hij weer op het heuveltje en riep: “Wel ja! Weer ondergaan! Hou daar toch eens mee op! En nu meteen!”

Hij wist niet goed wat hij van de zon moest denken. Maar hem vertrouwen kon hij nooit, dat wist hij wel. Hij vertrouwt mij ook niet, dacht hij.

Zo leefde de klipdas, tot hij schor was van het schreeuwen tegen de zon en moe van het stampvoeten. Toen keek hij de zon alleen nog maar verwijtend aan, 's avonds, op zijn heuveltje. Hij weet wat ik vraag, dacht hij. Maar hij luistert toch niet. Trouwens, dacht hij, is er ergens wel iets dat luistert?

Hij schraapte zijn keel en riep zo luid mogelijk: “Luistert er eigenlijk wel iets?”

Hij spitste zijn oren. Overal om hem heen lag de reusachtige steppe, en in de verte hing groot en rood de zon vlak boven de horizon.

Het was stil. Er luisterde niets.

    • Toon Tellegen