Niet naar Purmerend

Wessel te Gussinklo: Het engeltje. Uitg. Meulenhoff, 96 blz. ƒ 19,90.

Wessel te Gussinklo is geen snelschrijver. In 1986 debuteerde hij met De verboden tuin en vorige zomer pas verscheen zijn tweede roman, De opdracht. Hij moet zich na het voltooien ervan bevrijd hebben gevoeld, want zijn nieuwe novelle, Het engeltje, schreef hij voor zijn doen opmerkelijk vlot: in twee maanden, blijkens de datering 'Utrecht, mei-juni 1995'.

Toch is Het engeltje geen niemendal. Uit de novelle spreekt een zelfde gedrevenheid als uit de romans. De hoofdpersoon is een 33-jarige schrijver die in een impasse verkeert. Een gemiddelde cafébezoeker is hij niet. Wat hem intrigeert is niet het menselijk haalbare, maar grappig genoeg alles wat daarbuiten ligt. Zo raakt hij niet onder de indruk van iemand die in een circus op tien ballen tegelijk kan lopen, want 'als het niet kon deden ze het niet', zo luidt zijn onverbiddelijke logica. 'Elf ballen, twaalf ballen, daar gaat het om, en ook nog drie hoepels, een trommel...' Naar inzet en instelling doet Te Gussinklo denken aan Brakman en Rosenboom. Ergens tussen deze twee al even onstuitbare stilisten houdt hij zich op.

In Het engeltje krijgen we een uitsnede te zien uit het sombere bestaan van de schrijver, die 'geen bladzijde, geen woord' op papier krijgt. In het Amsterdamse nachtleven is hij op zoek naar iets dat hem zou kunnen optillen uit de sleur van alledag. Vanaf de eerste bladzij is duidelijk dat er iets ergs gaat gebeuren met deze kroegloper, die niet thuishoort in de wereld van de 'Riekies en Tante Mienen en Cors en Co's'. Hij is voortdurend op zijn hoede, maar lijkt een soort aantrekkingskracht uit te oefenen op onberekenbare zwervers, dronken Schotten en agressieve jongeren.

Langzaam werkt Te Gussinklo toe naar een amusante, huiveringwekkende episode. In een kroeg valt zijn oog op een meisje met het gezicht en de gestalte van een engeltje. Als zij zelf toenadering zoekt, is hij meteen verloren. Het engeltje wordt vergezeld door een handtastelijk 'nachtmerriewijfje' van onbestemde leeftijd en een sul die zich als haar chauffeur voordoet. De schrijver raakt vervolgens verzeild in een penibele toestand. Hij wil wel mee met het engeltje, maar niet naar Purmerend. Maar voordat hij het weet zit hij op de achterbank van een protserige slee. Daar wordt hij vervolgens besprongen, niet door het meisje, maar door het koboldvrouwtje, dat hem 'geile sik' noemt en hem aan alle kanten begint te knijpen. Tenslotte vindt hij zich, beroofd van al zijn bezittingen, terug in de berm. Maar, en dat is een verrassende wending, hij is niet langer wanhopig. Hij is warempel vervuld van goede voornemens, nu hij op de bodem van zijn bestaan is aanbeland. 'Vreemd schuldeloos en eigenaardig fris en nieuwgeboren voelde ik me opeens; alsof dit een nieuwe start was, een pril begin van nieuwe wegen die zich openden en die ik in zou slaan.' Hij neemt het kloeke besluit om voortaan thuis te blijven en 'schrijfslaaf' te worden, en nooit meer terug te keren naar 'jofel Mokum'. Een wijs besluit, met als resultaat een mooie novelle.

    • Janet Luis