Met Karel Appel in bad; De kunstcollectie van het Schiedamse echtpaar Sanders

Piet en Ida Sanders kochten al in een vroeg stadium werk van Henry Moore, Marino Marini, Gilbert & George en andere kunstenaars die later wereldberoemd werden. Hun verzameling groeit nog steeds, maar ze schenken nu ook veel aan musea. “We hebben nooit commerciële bijbedoelingen gehad.”

In de winter van 1928-1929 vroor het zo hard dat men over de Maas kon lopen. Door de strenge vorst liep de bouw van de villa die de Schiedamse architect Piet Sanders voor zichzelf had ontworpen, maandenlange vertraging op.

Het is nutteloze informatie, maar deze heeft zich in mijn hoofd aan een foto van de villa gehecht. De voetgangers over de rivier en de afbeelding van het huis staan in een boekje over architect Sanders (1882-1937) dat vorig jaar is verschenen en het beeld schetst van een notabele man die half Schiedam heeft volgebouwd.

Het vrijstaande hoekhuis heeft een hoog puntdak en is opgetrokken uit donker baksteen in de stijl van de Amsterdamse School. Behalve aan het steile dak moet de villa vooral te herkennen zijn aan een vijfkantige erker die op de eerste verdieping wordt bekroond met een gelijkvormig balkon. In de tuin staat een beeld van George Rickey, had prof. mr. Piet Sanders (Schiedam, 1912), de zoon van de architect, door de telefoon gezegd. Dat klopt. Boven de heg uit danst een wit staketsel. Maar van de gesloten, vijfkantige erker resteert alleen het balkon. Daaronder is een moderne, doosvormige uitbouw van staal en glas gekomen, als een reusachtige museumvitrine. Hoe kan het kunst- en architectuurminnende echtpaar Sanders ooit zo'n ongevoelige ingreep hebben laten uitvoeren? Het beeld van Rickey bestrijdt de opwelling dat ik mij in het huis heb vergist.

Binnen verdwijnt de verontwaardiging. Niet alleen omdat de verrassing van de alomtegenwoordige kunstwerken alle aandacht opeist, ook omdat de uitbouw van binnen een mooie, heldere ruimte tot gevolg heeft. Aan de hand van een vurenhouten model dat door Sanders onderuit een kast wordt gevist, laat hij de eenvoud zien van de ingreep, in 1968 gedaan door 'de grote' architect Jaap Bakema. “Omdat mijn vrouw door een handicap tot een rolstoel was veroordeeld, moest beneden de ruimte worden aangepast. Mijn vriend Bakema heeft de prachtige oplossing van deze serre bedacht,” zegt Sanders en hij laat een gestrekte wijsvinger liefkozend over het rechthoekige miniatuurraamkozijn glijden.

De lichte serre met een brede, halfronde vensterbank als toneel voor de kunst is het domein van Ida Sanders-Sanders - dat zij dezelfde achternaam draagt als haar echtgenoot is zuiver toevallig. Het is een strategische plek die naar buiten uitzicht biedt op het mooie, degelijke baksteengebouw van het St. Jacobs Gasthuis, in 1933 ontworpen door haar schoonvader, en naar binnen op een klein deel van de opgestelde collectie, eigentijdse en Afrikaanse beelden. Terzijde van de donkerhouten etnografica staan twee constructies van Naum Gabo. Een van de twee is een model van het beeld dat in Rotterdam voor de Bijenkorf op de Coolsingel staat. Het ongeveer vijftien centimeter hoge beeldje schittert onder een rechthoekige stolp van plexiglas en maakt vooral indruk omdat de vorm zo sterk is en de constructie zo onbeschrijfelijk fragiel als het skelet van een winterkoninkje.

Terwijl zij het vitrinekastje langzaam ronddraait om te laten zien dat het model van alle kanten even mooi is - 'heel zeldzaam bij beelden' - vertelt mevrouw Sanders hoe bij een restauratie de lijmrestjes van de subtiel gespannen draadjes uiterst voorzichtig met een fijne naald zijn weggekrabt. De toon van haar stem wordt verontwaardigd als zij over Gabo's beeld op de Coolsingel begint. De conditie waarin de machtige constructie zich bevindt is een aanfluiting. “Het beeld is er echt rampzalig aan toe. Het moet hoognodig worden gerestaureerd en dat zal net zo zorgvuldig moeten gebeuren als met het modelletje hier.”

Het echtpaar Sanders heeft geen idee uit hoeveel kunstwerken hun verzameling bestaat. Als het moet kan het zorgvuldig bijgehouden kaartsysteem hierover uitsluitsel geven; nu houden ze het op 'vele honderden'. Waar je ook kijkt, er staat, hangt of leunt moderne kunst, in alle kamers, in de hal, het trappenhuis, op zolder, in de keuken. De badkamers zijn vrolijk door waterbestendige tegeltableaus van Karel Appel. Van een uitgewogen presentatie van de collectie is geen sprake. Het simpele gegeven dat een plekje op een wand, een kast, een tafel of een vensterbank nog onbezet is, lijkt voldoende argument om het door kunst in beslag te laten nemen. Het is onder andere deze terloopsheid waardoor het onmiskenbare plezier in het verzamelen, door de beelden en schilderijen zelf lijkt te worden uitgedragen.

Twee Mondriaans

De ouders van beide Sandersen hebben hun kinderen naar kunst leren kijken. Piet Sanders werd veelvuldig meegenomen naar musea en kunstveilingen, en architectuur was een van de meest natuurlijke onderwerpen in het huis van de architect die een goed tekenaar was en zelf de gebrandschilderde ramen, tegelvloeren en marmercomposities ontwierp. Het ouderlijk huis van Ida Sanders stond in Amsterdam - op een steenworp afstand van het Concertgebouw waar zoon Martijn Sanders nu directeur is. Haar vader was een commissionair in effecten met een grote liefde voor de schilderkunst. Thuis hing werk van Jan Sluyters, Leo Gestel en vooral van Breitner. Haar ouders volgden de cursussen van H.P. Bremmer, de beroemde kunstpedagoog die ook het artistieke geweten van Helene Kröller-Müller vormde. Een oom van Ida Sanders, Paul F. Sanders, componist, muziekcriticus van Mens en Muziek en Het Volk en onder andere auteur van het kleine standaardwerk De Piano, het instrument en zijn meesters (1926) bracht haar in aanraking met de voorhoede van de moderne kunst, architectuur en vormgeving. Paul Sanders behoorde tot de culturele vriendenkring van Metz-directeur en internationale kunstpromotor Joseph de Leeuw en was ook een goede bekende van Mondriaan. Ida Sanders: “In 1925 woonde oom Paul een tijdje in Parijs en hij bezocht Mondriaan dikwijls in zijn atelier in de Rue du Départ. Aan mijn vader liet hij weten dat hij nú moest kopen als hij werk van Mondriaan wilde hebben. Mijn vader stuurde Paul een cheque die hij aan Mondriaan overhandigde. Deze draaide de cheque om en om, staarde er naar en bleef ongemakkelijk zwijgen. 'Is er iets?' vroeg oom Paul. Mondriaan zei toen: 'Het is zoveel geld, neem er maar twee mee.' Ik zie nog die twee schilderijen bij ons het huis binnenkomen.”

Op bijeenkomsten bij haar oom ontmoette Ida Sanders ook avant-garde kunstenaars als Robert en Sonia Delaunay, Gerrit Rietveld en Georges Vantongerloo, die in 1926 het huis van Paul Sanders van nieuwe kleuren had voorzien. Zij herinnert zich dat oom Paul een Vantongerloo op een witte ondergrond wilde hangen en er nergens wit behang te krijgen was. Heel vooruitstrevend besloot hij toen om onderbehang in plaats van behang te gebruiken. Dat was nog voor De Leeuw in de Metz-interieurs de witte revolutie verkondigde. Nieuwsgierigheid naar de moderne kunst en architectuur hadden de jonge Piet en Ida Sanders, die elkaar in 1936 op wintersport leerden kennen, met elkaar gemeen. Als rechtenstudent in Leiden organiseerde hij in 1932 de eerste fototentoonstelling in de Lakenhal waarmee hij wilde aantonen dat fotografie tot de kunst behoort. Hij was voorzitter van de Leidse filmliga en raakte als jong advocaat in Amsterdam in aanraking met de binnenhuisarchitect Koen Limperg die hem, als enige niet-architect, bij de architectengroep 'De 8 en Opbouw' binnen loodste. Een zoetgekleurde, niervormige toilettafel van Limperg uit de jaren dertig is nu een van de oudste kunstwerken in huize Sanders.

De spelregels die het echtpaar bij het verzamelen in acht neemt zijn eigenlijk nooit veranderd. “Nog steeds blijft het de sport om nieuwe mensen te ontdekken, ” vertelt Piet Sanders. “Galeries en musea aflopen, kunstenaars opzoeken in hun atelier. Zo hebben we al vroeg voor weinig geld werk gekocht van onbekende kunstenaars die later wereldberoemde sterren zijn geworden, Henry Moore, Karel Appel, Marino Marini, Naum Gabo, George Rickey, Gilbert & George, Shapiro, een van de topbeeldhouwers op het ogenblik in Amerika, Carel Visser, het is een eindeloze rij. Met vele van hen, althans als zij nog leven, zijn wij in contact gebleven door correspondentie of door ze op te zoeken.”

De veronderstelling dat het contact met de kunstenaars voor hen misschien nog wel meer betekent dan de kunst zelf, wordt door geen van beiden ontkend. Ida Sanders: “Wij zijn bij vele grote kunstenaars op bezoek geweest. Bij Arp, Brancusi, Giacometti, Chagall, niet om te kopen, want dat kon niet meer vanwege de prijzen. Arp ging overigens nog net, staat op de slaapkamer.”

Piet Sanders: “Toen we bij Chagall binnenkwamen keek hij mij eerst langdurig aan met die merkwaardige helblauwe ogen. Toen zei hij: 'u werkt te hard', hetgeen door mijn vrouw hartelijk werd beaamd.”

Schermerhorn

Chagall had gelijk. Voor de oorlog werkte prof. mr. P. Sanders als advocaat in Amsterdam en Rotterdam. In de oorlog werd hij als gijzelaar van de Duitse bezetter in het kamp Sint Michielsgestel opgesloten, waar hij het niet kon laten tentoonstellingen te organiseren. In 1945 werd hij bij de hervatting van zijn advocatenpraktijk, nu in Schiedam, gestoord door het verzoek van ir. W. Schermerhorn om secretaris-generaal te worden van het 'departement van algemene oorlogvoering'. Sanders: “Onder dat departement vielen ook de regeringsvoorlichtingsdienst en de binnen- en buitenlandse veiligheidsdienst. Het was een chaotische tijd. In Den Haag sliep ik in een kamer op Plein 1813 met een stengun onder mijn bed. Ik was ook nog secretaris van de ministerraad en moest notulen maken met behulp van zo'n ouderwetse dicteermachine. Toen Beel kwam heb ik mijn ontslag genomen. Beel lag mij overigens niet.

“Wij zaten met onze drie kinderen uit te puffen op Schiermonnikoog toen Schermerhorn me vroeg voor de commissie-generaal voor Nederlands-Indië die de Indonesische soevereiniteit moest voorbereiden. Ik kwam daar in 1946 en bleef tot de ondertekeing van het akkoord van Linggadjati, eind 1947. Aan kunst heb ik in Indonesië niet veel gedaan. Het enige dat ik mij op dit gebied kan herinneren is dat ik een onderbroek heb geruild voor een boeddha. Terug in Schiedam keek men ons niet meer aan: wij hadden het koninkrijk verkocht. Ik ben mij toen gaan toeleggen op de internationale advocatuur, het vennootschapsrecht en later het arbitrage-recht. In 1959 werd ik hoogleraar recht aan de Economische Hogeschool die later de Erasmus Universiteit zou worden. Maar laat ik niet te uitvoerig zijn. Schermerhorn zei altijd: je kunt beter in een lucifersdoosje kruipen.”

Naast zijn juridische loopbaan, die met werkzaamheden voor de Verenigde Naties een internationale vlucht nam, bleef de beeldende kunst hem danig bezighouden. Hij had zitting in de aankoopcommissies van het Stedelijk Museum in Amsterdam - hij verleende directeur Willem Sandberg juridische bijstand bij de legendarische verwerving van een groot aantal werken van Malevitsj - van Museum Boymans-van Beuningen, van Museum Kröller-Müller. Het is onbegonnen werk om alle culturele commissies, besturen en jury's op te sommen waarin Piet Sanders zitting in heeft gehad. Hoewel bijna-Rotterdammer heeft hij zich zelfs nog ingespannen om het Nederlands Architectuur Instituut in Amsterdam gehuisvest te krijgen. Voor dat doel had hij het gebouw de Droogbak naast het Centraal Station op het oog. Het onwrikbare stadsbestuur van Amsterdam heeft deze poging, zoals bekend, met succes weten te weerstaan.

Voorraadkasten

Als bewijs van zijn verzamelzucht schuift Sanders een paar kasten open waarin schilderijen, tekeningen en grafiek in eindeloze slagorde staan opgesteld. Een verzamelaar is er niet op uit om alle verworven kunstwerken uitgestald te zien. De wetenschap van de in voorraadkasten en stellages opgeborgen schat is meer dan voldoende om de ware collectioneur als een poes te laten spinnen. Sanders laat triomfantelijk een paar ontdekkingen zien die recent in de wacht zijn gesleept. Of, zoals hij het zelf uitdrukt, die bij hem 'de bel hebben laten rinkelen'. Twee kleine plastieken, bijna architectonische modellen, van de Rotterdamse kunstenaar George Belzer en een wonderlijk vrolijk werkstuk van Bill Scanga. Het is een reageerbuis van het formaat van een forse Havana-sigaar met daarin een roodgoud gekleurd visje op sterk water. Het visje, dat het glazen buisje goeddeels vult, draagt om zijn nek een warme, gebreide shawl van gele wol met rode motieven. Een uiteinde van de shawl wappert vrolijk naar achteren zoals bij schaatsende honden in cartoons. “Dit werk wordt museaal,” voorspelt Piet Sanders.

Hoewel het verzamelen nog doorgaat, is het aantal nieuwe aanwinsten waarschijnlijk kleiner dan het aantal kunstwerken dat de collectie heeft verlaten. Het echtpaar heeft talloze werken geschonken aan het Kröller-Müller, Boymans-van Beuningen, het Schiedams Museum en verschillende musea in het buitenland. Aan het Amsterdamse Stedelijk Museum schonken ze onder andere dertig stuks Werkman. Het Kröller-Müller kreeg ruim honderd Engelse en Amerikaanse sculpturen. Uit de grote collectie Afrikaanse beelden die aan het Rotterdamse Museum voor Volkenkunde zijn geschonken, zal dit jaar in augustus in de Kunsthal de tentoonstelling 'Afrikaanse kunst in Europa' worden samengesteld.

Sanders: “Wij hebben nooit commerciële bijbedoelingen gehad, dus willen wij niet verkopen. De prijzen zijn op een idiote manier gestegen - een heel nare ontwikkeling vind ik dat - en de aankoopbudgetten van de musea zijn minimaal gebleven, of achteruit gegaan. Daarom doen wij al die schenkingen. En ach, met de aantallen die wij hebben kom je toch nooit zonder te zitten.”

    • Max van Rooy