Lofzang op de roes

Mángas ging uit wandelen naar de benedenbuurt/ de arme had al in geen dagen meer bouzoukispel gehoord/ Mángas ging uit wandelen in de buurt/ Hij zit te denken waar hij aan goede wijn kan komen/ om zijn kop mee te vullen en in de stemming te komen/ en daarna naar zijn huisje te gaan om te slapen/ Hij hoeft geen paleizen, op dat alles kijkt hij neer/ aan een half litertje heeft hij genoeg om zich goed te voelen/ hij hoeft geen paleizen, daar kijkt hij op neer.

Deze zeïbèkiko van Apostólis Kaldáras, die met een gedurfde sext begint, behoorde in mijn eerste Griekse jaren tot mijn favoriete liederen op de juke-box in de taveerne Poulaki, waar er schitterend op werd gedanst door Nikos, een chauffeur uit Korfoe. Ik vond de muziek prachtig en de tekst sprak mij ook aan. Al gauw echter merkte ik dat de vaste klanten er andere woorden bij zongen. Mángas, zo begonnen zij, ging uit wandelen om een tekè te vinden. De arme had al in geen dagen een argiléh gerookt. Mángas is, kortom, aan de hasj. En de plaatopname was alleen mogelijk geweest nadat de tekst aan de censuur was aangepast.

Mángas is ook geen voornaam, zoals de lezer misschien dacht. Het is de erenaam voor de ware rebètis, die zich goed en mooi weet te gedragen in de sfeer van de softdrugs waarin het rebètiko gedijde. De oudste rebètika zijn ontstaan in de tekè's die men rondom 1920 en '30 in Piraeus en sommige Atheense voorsteden kon vinden. Het woord betekent in het Turks derwisjenklooster, maar in Griekenland werd het de naam van een primitief horecabedrijfje waar men met elkaar hasj kon roken en de argilèh, de waterpijp, bij het zachte spel van bouzouki en de kleine baglamá. De goede klanten werden ook derwisjen genoemd, puike lieden.

Soms werd de rust verstoord door ruzie - want zulke lieve jongens waren de rebètes nu ook niet - of door een inval van de politie. Drugsgebruik was oogluikend toegestaan tot 1936, toen dictator Metaxás het ging bestrijden. In één moeite door probeerde deze ook de rebètika uit te roeien, samen met de bouzouki, maar in Thessaloniki lukte dit slechts gedeeltelijk doordat daar een politiechef de scepter zwaaide die erg van dit genre hield. Nu begon ook de censuur op teksten, die tot 1980 aanhield met als vreemd intermezzo de bezettingstijd 1941-'44.

Stellákis Perpiniádis zong al rond 1930 de zeïbèkiko: Gisteravond in onze tekè/ kwamen ze onze argilèh aan stukken slaan/ ze wilden ons op hasj betrappen en onze tekè kapot maken/ als er iets met de pijpen gebeurt/ dan zullen we meteen jullie bloed drinken! De meeste tot voor kort verboden liederen zijn lofliederen op de hasj en de 'mastoura' (bedwelming) die eruit resulteert.

De grote Markos Vamvakáris zong in 1935, één jaar voordat het niet meer mocht: Wanneer ik stoned ben en/ wegsmelt in m'n roes/ vergeet ik al m'n zorgen/ en al mijn gepieker/ Zorgen en verdriet/ heeft de natuur mij aangedaan/ en alles gaat voorbij, verdwijnt/ enkel met wat hasj/(-)/Als mángas ben ook ik geboren/ en als mángas zal ik sterven/ en mogen er hasjplanten groeien/ bovenop mijn graf.

'Rokers' binnen deze subcultuur keken neer op 'snuivers' die verslaafd waren aan heroïne en andere harddrugs. Ook op de heroïne zijn er heel wat liederen, sommige ook weer prijzend. De in Istanbul geboren legendarische zangeres Roza Eskenázi zong in 1932:

Van de avond tot de ochtend/ houd ik me met heroïne in leven/ en ik verover de hele wereld/ wanneer ik het witte poeder snuif/ de hele wereld is van mij/ Wanneer ik heroïne heb en snuif/ en als de politie mij in de gaten krijgt/ piep ik er tussenuit/ Als je een trip maakt word je meteen koning, dictator, god en wereldheerser/ als je heroïne gebruikt/ ach, wat voel je je dan goed/ en je ziet alles met een rozig kleurtje/ Van mij is Griekenland/ en bij zijn ellendige toestand lach je/ het mist zijn ene been/ dat hebben ze verdobbeld...

Maar de meeste 'snuivers'-liederen bejammeren het feit dat men in de vernieling is geraakt. Klassiek bleef de chasápiko van Anéstos Deliás, bijgenaamd Artèmis, uit 1934, het jaar dat hij toetrad tot het eerste bouzoukigezelschap van Vamvakáris, waarin hij prachtig zong en speelde. Door toedoen van een diepbeminde prostituée raakte hij aan de heroïne en in 1942 werd hij dood op een kar gevonden. Op het lied wordt echter nog steeds naar hartelust gedanst:

Sinds ik ben begonnen/ heroïne te snuiven/ wil de wereld niets meer van me weten/ ik weet niet wat te doen/ waar ik ook ga of sta/ plagen de mensen mij/ en mijn ziel kan er niet tegen/ dat ze me snuiver noemen/ Eerst bleef het bij snuiven/ maar ik ben ook aan de spuit begonnen/ en mijn lijf is bezig/ langzaam weg te kwijnen/ Niets rest mij meer/ te doen op deze wereld/ aangezien de heroïne ervoor zorgt/ dat ik in de goot zal sterven.

Al deze liederen, en zelfs het opmerkelijke 'Litanía' van Tsitsanis, waarin kerkelijke liturgie en het opgaan in hasj-bedwelming tot een geheel worden gesmeed, kunnen de laatste jaren vrij worden gezongen, zelfs op de radio, en gereproduceerd, ook op speciale grammofoonplatenseries 'verboden liederen'. Het, grotendeels jonge, publiek schept er een bijna snobistisch genoegen in te laten blijken dat het de tot voor kort zo pikante teksten kent. Deze cultivering van een oude subcultuur staat in opvallend contrast met de werkelijke situatie in het huidige Griekenland waar hard- en softdrugs juridisch nog altijd dezelfde categorie vormen in een zeer strenge wetgeving en bijna de helft van de gevangenisbevolking wordt uitgemaakt door hard- of softdrugs-delinquenten. Nog onlangs kreeg een 87-jarige boer drie jaar wegens produktie van een minieme partij hasj voor eigen gebruik.

Ook in de pers heerst nog een bijna onuitroeibare mening dat hasj en marihuana, die, anders dan tabak of alcohol, niemand in het graf hebben geholpen, rechtstreeks naar de dood voeren. Het contrast tussen deze constellatie en de bijna verrukte manier waarop men 's nachts de drugscultuur bezingt is één van de meest intrigerende fenomenen in het huidige Griekenland. Men grijpt naar het goede Griekse woord hypocrisie - maar verdere behandeling van dit vraagstuk ligt niet op de weg van degene die een andere verslaafdheid tot onderwerp van zijn serie heeft gekozen.

    • Frans van Hasselt