Klein land als Nederland is gebaat bij open cultuurmarkt

Nederlandse Europarlementariërs stemden mee met een Frans voorstel de Europese cultuur te beschermen. Niet zo verstandig, vindt Cas Smithuijsen.

Vorige week aanvaardde een meerderheid van het Europees Parlement een Frans voorstel om in de Europese landen de programmering van films op de televisie te binden aan quotering: 51 procent van het aanbod moet van Europese bodem zijn, 49 procent mag van daarbuiten komen. Het voorstel hing al jaren en was in 1993 aanleiding om de audiovisuele industrie buiten de GATT-onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie te houden. Door het nu in de politieke besluitvorming te brengen hoopt Frankrijk zijn filmindustrie tegenover het produktiegeweld van Hollywood overeind te houden. Overigens geeft men als eerste motief voor het voorstel de bescherming van de Europese cultuur tegen al te veel commercieel geweld vanuit Amerika. Enkele (sociaal-democratische) Nederlandse Europarlementariërs bleken gevoelig voor deze cultuurpolitieke overweging en stemden met de Fransen mee.

Was dat nou wel verstandig van die Nederlanders? De Fransen maken zich zoals bekend sterk voor hun nationale cultuurgoed, voor de francofonie, voor de Franse geschiedenis. De consolidatie van de Franse cultuur tracht men zowel aanvallend als verdedigend te bewerkstelligen. Aanvallend door de beschikbare cultuurgoederen bewust uit te dragen. Men denke aan de indrukwekkende musea die de laatste tijd in Parijs zijn geopend, en het prestigieuze project van de Bibliothèque de France. Men denke ook aan de gewoonte om Franse films te voorzien van Franse ondertitels. Maar ook worden verdedigende middelen gebruikt. Nog niet zo lang geleden was er het voorbeeld van het Franse woordenboek dat de taal wilde zuiveren van vreemde invloeden. Of dat van de zojuist genomen nationale maatregel om Engelstalige popmuziek op de radio aan banden te leggen. De quoteringsmaatregelen voor de televisie zijn van eenzelfde verdedigend karakter.

Kennelijk kunnen voldoende Franse consumenten zich in een dergelijk standpunt vinden en wie buiten Frankrijk zou zich moeten ergeren aan het cultuurpolitiek protectionisme van dat land? Het verblijf aldaar wordt er voor buitenlanders niet minder aangenaam door. De honderdduizenden vakantiegangers uit Nederland worden aan de kust en in de vakantiestreken waar nodig in het Engels geholpen, en bovendien spreken Nederlanders gemiddeld genoeg Frans om te krijgen wat ze willen. Quoteringen ten gunste van de Franse cultuur kunnen de vakantiegenoegens alleen maar vergroten.

Maar moet een klein land als Nederland ook aan een dergelijk protectionisme meedoen? Dat kan het land alleen maar nadelen opleveren. Waren we groot, dan zouden we misschien niet in alle opzichten zo sterk op het buitenland zijn aangewezen. Maar wie in een klein land grote ambities heeft, loopt onmiddellijk tegen grenzen aan. Zoals bekend overleven ondernemingen als Philips, DAF en Fokker niet zonder handelsrelaties met het buitenland.

Voor andere economische bedrijvigheid geldt dat ook in groeiende mate. Zo produceren we een hoeveelheid agrarische produkten die de binnenlandse behoefte ruim tienmaal overtreft. Zonder buitenlandse belangstelling zou die hele sector instorten. Zelfs de kleinste, gespecialiseerde bedrijven stemmen hun exploitatie af op handel over de grenzen. Ons cultuurbedrijf groeit, voor een belangrijk deel dankzij internationale belangstelling. Louis Andriessen is beroemd in Amerika, waardoor de Nederlandse muziek daar enigszins vaste grond onder de voeten begint te krijgen, Jan Dibbets werd vanwege zijn internationaal befaamde specialisatie gevraagd om in de kathedraal van Blois gebrandschilderde ramen te maken, Nederlandse dansgroepen en muziekensembles maken om de haverklap succesvolle internationale tournees, het Concertgebouworkest is de lieveling van het Japanse publiek, cd's van dat orkest en van toonaangevende Nederlandse ensembles gaan in vele landen over de toonbank, filmmakers als Paul Verhoeven en Ate de Jong hebben het tot Hollywood geschopt, Cees Nooteboom maakt dankzij exportbevorderende vertalingen zijn entree bij een wereldpubliek. Maatregelen die het internationaal verkeer tegengaan, zoals protectionisme of quotering, zijn juist voor kleine landen schadelijk, ook in cultureel opzicht. Nederland heeft een audiovisuele industrie die zich in geen enkel opzicht kan meten met die van Frankrijk; er is hier een kleine manufactuur voor film en televisie die gebaat is met een langzame groei van een internationaal georiënteerde en gefinancierde commerciële sector. Dat stemt overeen met het uitgangspunt van staatssecretaris Nuis van Cultuur, die van Nederland een culturele vrijhaven wil maken. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in een recente nota aangegeven dat Nederland zijn belangen in het buitenland beter moet uitdragen, niet door een afwerende, maar juist door een uitnodigende beweging. En dan heb ik het nog niet gehad over de Nederlandse cultuurconsumenten. Waarom moeten wij voor een deel verplicht naar Europese produkties kijken, terwijl het ons wel is toegestaan rond te rijden in Amerikaanse en Japanse auto's en terwijl onze politieke vertegenwoordigers Amerikaanse helikopters kopen en geen Franse? Als het niet is om de Nederlandse filmindustrie te redden, moeten we dan als Europeaan de Franse, Italiaanse of Spaanse filmindustrie redden? Omdat de Nederlandse Europarlementariërs Franse, Italiaanse en Spaanse films beter vinden dan Amerikaanse?

Ik ben een groot voorstander van Europese eenwording waar dat kan. Op cultureel gebied zou veel kunnen gebeuren aan culturele uitwisseling, aan het opzetten van een culturele infrastructuur in Oost-Europa, aan co-produkties, internationale tentoonstellingen, educatieve programma's enzovoort. De bescherming van de niet-commerciële cultuur met behulp van politiek verdedigde publieke bestellen zou zelfs het eerste agendapunt voor de Europarlementariërs moeten zijn. Een goede scheiding tussen een publiek cultuurbestel en de commerciële cultuur maakt ook de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de aanbieders helder. Waar sprake is van internationale, commerciële cultuur bieden de economische spelregels van de Wereldhandelsorganisatie in beginsel een goed handvat om overtredingen van de eigendomsrechten, van dumppraktijken, kartelvorming en andere ontoelaatbare zaken in het handelsverkeer aan de kaak te stellen. Met deelname aan het audiovisueel verkeer door China, Japan en andere grootmachten lijkt het van belang dat de audiovisuele industrieën in de Europese landen zich niet langer onttrekken aan de GATT-bepalingen, en deze bepalingen waar nodig gunstig beïnvloeden.

Deelname aan processen van Europese eenwording is voor een land als Nederland van levensbelang. Maar het is onverstandig onze steun te geven aan een Europese afschermingspolitiek die gebaseerd is op een onterechte vermenging van culturele en commercïele belangen. Daarmee brengen we onze culturele uitwisseling met niet-Europese landen, met name Amerika, in gevaar.

    • Cas Smithuijsen