John en Yoko in Afrika

Jef Geeraerts: Goud. Uitg. Meulenhoff/Manteau, 135 blz. ƒ 29,90.

'De heidense heilige tijd' is terug in de boeken van Jef Geeraerts. Door deze term al op de eerste pagina van zijn nieuwe roman te laten vallen, overbrugt Geeraerts een periode van bijna dertig jaar. Destijds maakte het begrip deel uit van de openingszin van het boek dat het eerste deel van Geeraerts' autobiografische 'Gangreen'-cyclus zou worden: Black Venus. Dat betekent, weten Geeraerts-kenners, dat de auteur in Goud teruggaat naar 1955 en terug naar Belgisch Kongo.

Toch is Goud niet zomaar een nieuw Gangreen-deeltje, met alleen maar meer Afrika-avonturen. Terugkerend naar vroeger komen we weliswaar een aantal bekende personages tegen - de blanke Belg met zijn zwarte bloedbroeders, zijn kille blanke vrouw en zijn levenslustige zwarte minnares Mbala - maar ze zijn in een veel breder verband geplaatst. Goud laat zich lezen als een late epiloog van de cyclus. De roman begint in België en in het heden - precies veertig jaar na 'de heidense heilige tijd'.

De blanke Belg (nu veel onverbloemder Geeraerts zelf) is 65. Om hem heen beginnen geliefde wezens dood te gaan: vader Frans Geeraerts en een van zijn twee poezen. Aan hem zelf dringt zich de 'sterfangst' op. Die melancholie wordt bestreden met nostalgie; met herinneringen aan het leven in Afrika, dat een aantal bij Geeraerts essentiële begrippen belichaamt. Vitalisme, de grote liefde en de dood.

De manier waarop Geeraerts heden en verleden op elkaar in laat werken is vernuftig. De herinneringen bezweren de angsten van het heden. Sterker nog: ze verzoenen de verteller met dat heden, dat niet veel meer omvat dan achtertuin, poezen en de huidige geliefde, Eleonore. Ogenschijnlijk zijn dat prozaïsche versies van de jungle, de luipaarden en Mbala. Maar de verteller omhelst ze aan het slot als bronnen van kleine, maar daarom niet minder meeslepende levensvreugde.

De nostalgische evocatie van het Afrika van toen, levert uiteindelijk een ode aan het kleine leven en de aardse liefde van nu op. Daarmee is Goud een zinvolle toevoeging aan de cyclus. Al was het maar omdat de 'heiligheid' van vroeger er een beetje in gerelativeerd wordt.

Een bezwaar van Goud is wel dat de epiloog/roman zijn betekenis voor een belangrijk deel aan die cyclus ontleend. En ook zijn genietbaarheid. Wie niet van bombast houdt, heeft nooit wat bij Geeraerts te zoeken gehad, maar in Goud gaat hij soms wel heel ver. Met name het slot, waarin hij zijn echtgenote een stukje laat schrijven, is geïsoleerd bekeken van een John & Yoko-achtige klefheid. Maar plaats je die passages in het kader van Geeraerts' hele autobiografische werk, dan hebben ze wel iets ontroerends.

    • Gertjan van Schoonhoven