Ik buk graag voor een spelletje; De elegante liefdesbrieven van Denis Diderot

'Mijn brieven zijn een vrij precies verslag van mijn leven', schreef de Franse achttiende-eeuwse philosophe Denis Diderot aan Sophie Volland. Zijn brieven aan deze geliefde zijn nu vertaald. Nauwgezet doet hij verslag van soupers, lavementen en eindeloze gesprekken over de mens en de wereld. “Schrijven lijkt zo gemakkelijk als je het Diderot ziet doen.”

Denis Diderot: Brieven aan Sophie. Vert. Anneke Brassinga. Uitg. De Arbeiderspers, 746 blz. Prijs ƒ 120,-.

Was de wereld vroeger lichter of heeft hij altijd als een steen op de maag van de mensen gelegen? Het is moeilijk te zeggen. Van de Gouden Eeuw kun je niet zeggen dat hij licht was. De paukeslagen van Gods toorn gaven maar weinig ruimte aan lieflijker klanken, al waren die er wel, maar het is de hoofdstem die de toon zet en in onze ogen het gewicht van het leven van toen bepaalt. Licht was de eerste eeuw van de Romeinse keizertijd - ga maar kijken in Pompeï en Herculaneum, een wereld van gestolde elegantie. De Renaissance, haar vermeende wederopstanding, is daarentegen toch weer niet zo licht als Botticelli of Rafael haar op het eerste gezicht laten voorkomen, de geest moet er af en toe nog zwaar tafelen. En wat is het gewicht van onze wereld? Heeft die eigenlijk wel een gewicht?

Het zijn vragen die zich opdringen na lezing van de brieven van Denis Diderot aan Sophie Volland. Zevenhonderd pagina's lang mag de lezer zich in een tijd wanen die hem ongewoon licht en onbezwaard lijkt: de rococo, l'Age des Lumières, door de Duitsers - van nature niet lichtzinnig - liefkozend das galante Zeitalter genoemd. Pruikentijd is de Nederlandse benaming en die is niet liefkozend bedoeld. Wij verliezen niet graag het contact met de grond.

Van 1759 tot 1774 schreef Diderot 553 brieven aan zijn maîtresse Louise Henriëtte Volland, bijgenaamd Sophie, Wijsheid. Sophie's deel van de correspondentie is niet bewaard en van Diderots brieven zijn er 366 verdwenen, vernietigd door de geadresseerde of haar familie, vermoedelijk wegens de vrijmoedige inhoud. Wat we over hebben is een willekeurige selectie, zelden sluiten de brieven voor een langere periode aaneen.

Van Sophie Volland is niet veel meer bekend dan men uit de brieven kan opmaken. Er bestaat zelfs geen portret van haar. We moeten haar dus leren kennen door de blik van de verliefde Diderot en dat bekomt haar niet slecht. We leren verder nog dat ze een bril heeft, graag leest, zich laat koeioneren door haar moeder en veel samen is met haar wat hautaine jongere zuster, die Sophie's post kennelijk ook leest. Omstreeks 1770 veranderen de brieven van toon, de verliefdheid maakt plaats voor een respectvolle maar weinig warmbloedige vriendschap. Uit andere bronnen weten we dat de zevenenvijftig jarige Diderot in die tijd vergeefs intieme banden probeerde aan te knopen met Mme de Maux.

Hoewel Diderot en Sophie de veertig al gepasseerd waren toen ze elkaar leerden kennen, wilde haar moeder aanvankelijk niets van de verhouding weten en dwong ze tot ergernis van Diderot haar ongetrouwde dochter bij haar op het platteland te wonen. Aan de bazigheid van die moeder hebben we dus eigenlijk de brieven te danken die nu in de voorbeeldige vertaling van Anneke Brassinga ook in het Nederlands kunnen worden gelezen.

Ze laten ons het Frankrijk van de achttiende eeuw zien, een periode waarin onafhankelijke geesten als Diderot voorzichtig onder de intellectuele bevoogding door kerk en staat proberen uit te komen. De Verlichting, het ernstige zusje van de Rococo, is de benaming voor een tijd waarin alles gewichtsloos wil zijn: de architectuur zweeft en wil nergens de aarde raken, de Tiepolo's leven zich uit in wervelende plafondschilderingen, dansers lopen op hun tenen en maken luchtsprongetjes verlangend de aarde te verlaten. De dames van Fragonard beklimmen de schommel en zweven door de lucht en tonen koket hun kleine voetjes die niet bestemd zijn om ooit grond te raken. Ook de muziek is licht en streeft naar lichte timbres. Bas en bariton zijn weinig gevraagde stemtypes, men geeft de voorkeur aan de stralende hoogte van de sopranen en de alten, al dan niet gecastreerd, en verkiest lichte dansante melodieën, boven het gewichtig contrapunt van de Barok. Dit zijn ook de gloriejaren van de ontluikende rede die zich van het duister wil ontdoen, het is de stralende jeugd van de Moderne Tijd.

Slappe lach

De idylle gold niet voor iedereen. Een mens kan zich nu eenmaal niet onttrekken aan het taaie ongerief van zijn stoffelijk bestaan. Er waren er te over die licht in het hoofd waren vanwege een lege maag. Diderot heeft deze eeuwige hongerlijder beschreven in De neef van Rameau, als een briljant buitenbeentje dat uitvreter wordt om zijn maag te vullen. Ook in zijn brieven komen we hem wel tegen. In de huizen van de adel wemelde het van dergelijke meeëters en logés van wie niemand meer wist wanneer ze gekomen waren en wanneer ze weer zouden vertrekken. Baron d'Holbach, denker en vrijdenker en intimus van Diderot kreeg op een zeker moment zo'n genoeg van de twee dozijn gasten die elke dag bij hem kwamen aanschuiven dat hij zijn deur op slot hield. Diezelfde baron d'Holbach had een schoonmoeder die op zekere dag de meeëtende pastoor die voorovergebogen een lief snoetje bestudeerde op de rug sprong om hem als een paard te berijden en daarbij zo de slappe lach kreeg dat ze het in haar broek zou hebben gedaan als ze er een aan had gehad. Nu liet ze haar water over de geestelijke lopen. De beide materialistische denkers Diderot en d'Holbach rolden giechelend van de canapé. De komedie is het paradigma van de achttiende eeuw geworden en er verantwoordelijk voor dat we bij die periode altijd aan iets lichts en luchtigs denken - de achttiende-eeuwse tragedie is door het nageslacht nauwelijks serieus genomen. In de brieven van Diderot wemelt het van de blijspelsituaties en soms bekruipt de lezer het gevoel dat hij naar een toneelstuk van Beaucharmais of Marivaux zit te kijken - alleen zijn de brieven echt.

'Mijn brieven zijn een vrij precies verslag van mijn leven', schrijft Diderot aan zijn geliefde. Dat is soms vrij letterlijk te nemen want hij gaat het verslag van zijn indigesties, steenpuisten en lavementen niet uit de weg. Uitgebreid beschrijft de beruchte vrijdenker hoe hij heerlijke grutten kookt voor de zieke Madame Diderot. Hij doet nauwgezet verslag van de gezapige logeerpartijen bij baron d'Holbach en hun spelletjes en eindeloze gesprekken over mens en wereld om de tijd tussen het diner en het souper te korten. En dat opgeschreven in die achteloos parlante stijl waardoor alles een zilveren randje krijgt. Schrijven lijkt zo gemakkelijk als je het Diderot ziet doen, nergens de lege krullendraaierij of de zelfingenomen galm van iemand die zijn best doet mooi te schrijven. Alles is licht, de pen danst gewichtloos over het papier, nergens sporen van gezwoeg. Zelfs als de deugd ter sprake komt - een van zijn favoriete onderwerpen - slaat hij nooit aan het femelen.

Diderots tweede liefde is de beeldende kunst. Maar daar komt de classicist die hij wil zijn tot het onbehaaglijk inzicht dat de mens een kant bezit die niet door de rede kan worden verklaard. 'Een groots effect wordt altijd geboren uit de verstrengeling van het zinnelijke en het gruwelijke (...) Dat is het principe van alles wat subliem is. Bij zulke dingen smelt de ziel en huivert van afgrijzen. Die mengeling van gevoelens brengt ons in een vreemde staat, het is het kenmerk van het sublieme dat het ons raakt op een manier die buiten al het gewone valt.' En: 'Met deugd worden haast alleen onbewogen, kille scheppingen gemaakt; hartstocht en zonde brengen leven in de creaties van de schilder, dichter, de musicus.' Hier breekt het besef door dat de kunst er niet alleen is ter lering en vermaak.

Diderot was de bezielende kracht achter de Encyclopédie, waarin voor het eerst alle kennis over de wereld bijeen gebracht zou worden, gezien door de ogen van de Verlichting. Het werd een onderneming die zich meer dan 25 jaar zou voortslepen en die Diderot, die als hoofdredacteur een belangrijke stem had in het aantrekken van medewerkers en ook zelf op allerlei gebied bijdragen schreef, reikhalzend naar de verschijning van het laatste van de 23 delen deed uitzien. Met reden, want er is in 250 jaar niks veranderd: schrijvers leveren hun bijdragen niet of te laat in, drukkers proberen je allerlei kosten in rekening te brengen, van de uitgever mag het niks kosten en tot overmaat van ramp komt de censuur halverwege met een verbod omdat kerk en staat een andere kijk op de wereld voor juist houden.

Hoewel de Encyclopédie het uithangbord van de Verlichting zou worden, heeft Diderot als groot denker geen plaats in de geschiedenis gekregen, hij is geen bouwer van metafysische systemen. Eigenlijk is hij helemaal geen filosoof maar een philosophe, een bij uitstek Frans verschijnsel. De philosophe is een denker die zich met alles bemoeit zolang het betrekking heeft op politiek en moraal. Zo hebben allerlei formele filosofische en natuurwetenschappelijke problemen wel de belangstelling van Diderot de veelweter, maar zijn grote onderwerp is de mens, die niet langer onder curatele staat van die ene tirannieke Vader die in alles aanwezig is; de deugd wordt hem nu niet meer genadiglijk cadeau gedaan, maar komt uit hemzelf. Hij is van nature goed en zal een modelburger zijn als hij zich met behulp van de rede ontdoet van zijn vooroordelen over zichzelf en de wereld.

Kabouters

Deze opvattingen maken Diderot tot een typisch achttiende-eeuwse opvoeder - bijvoorbeeld van zijn dochtertje. 'Ik buk graag voor een spelletje,' schrijft hij, 'want het is zo aardig, en meestal neem ik de kans waar om iets verstandigs te zeggen, een lesje te geven over recht en onrecht, over taal, als het kind slecht spreekt, over logica als het slecht argumenteert. (-) Er zijn even wijze dingen te zeggen over een pop, de kaboutertjes, een lapje, als over de meest gewichtige zaken.' Ook zijn geliefde Sophie en haar zuster moeten er af en toe aan geloven en worden soms streng, soms ironisch, soms een tikje pedant toegesproken over hun soms wat traditionele denkbeelden.

De hedendaagse lezer blijft zich verbazen over het naïeve maar hartstochtelijke optimisme waarmee Diderot zijn geloof in de mens belijdt. De geschiedenis zag er in zijn tijd anders uit dan de onze, nog niet gemodelleerd naar de anonieme Hegeliaanse tijdgeest. Ze is nog steeds het verhaal van grote mannen uit het verleden die de lezer tot voorbeeld moeten strekken. De wereld heeft nog een verbluffende eenvoud.

Wanneer hij in Parijs was, leidde de philosophe een druk bestaan. Hij was dagelijks onderweg om links en rechts zijn respect te betuigen, te dineren of te souperen of in de salons over moraal en politiek te discussiëren en voorgesteld te worden aan bewonderaars van stand.

Het decor van de achttiende-eeuwse salon is niet te vergelijken met onze smakeloze culturele centra met hun kunstbloemen en formicatafeltjes. De woorden 'meneer de voorzitter' worden er niet gehoord omdat de voorzitter een dame is die presideert over een 'Republiek der Letteren', de plek waar de philosophe zijn thuisbasis had. Daar schittert zijn esprit en kan hij zijn denkbeelden ontvouwen die hij op straat maar beter voor zich kan houden. De politie en de censuur van het ancien régime hadden overal ogen en oren en met al te luidruchtige vrijdenkers liep het slecht af.

Pluimstrijkers

Als philosophe met een gevestigde reputatie legde Diderot in de salon zijn contacten met invloedrijke personen en regelde hij de protectie en de baantjes voor zichzelf en zijn vrienden bij de overheid. Net als Voltaire en de meeste andere philosophes was hij een wereldverbeteraar, geen revolutionair, laat staan koningsmoordenaar. Hij wilde bij de monde horen, bij de gevestigde orde, de wereld die er toe doet. Diderot had niets tegen de monarchie zolang de koning maar geen kluns was. Tot tranen toe is hij bewogen als hij hoort dat de koning van Denemarken uit geestdrift voor zijn juichende volk zijn hoed in de menigte gooit en zich door omstanders laat omhelzen. Degene die die hoed heeft moet wel zielsgelukkig zijn met dit symbool van de eenheid tussen vorst en volk. De valbijl was nog niet uitgevonden, de hoofden van de adel stonden nog stevig op de schouders.

De salon was ook het toneel van de verliefdheid, het populairste tijdverdrijf van die periode. Doordat scheiding verboden was, maar huwelijken desondanks mislukten, werden de amoureuze betrekkingen op informele wijze geregeld, wat het blijspelkarakter van de tijd alleen maar versterkt. Amants die via het raam vluchten, amoureuze geestelijken, herdersuurtjes in het prieel, dat alles helaas af en toe ontsierd door de syphilis. Iedereen lijkt voortdurend verwikkeld in allerlei buitenechtelijke kwesties. Men bedriegt, schrijft stiekeme briefjes, intrigeert of ligt weg te kwijnen aan een onbeantwoorde hartstocht, die meestal na enige tijd wel weer over is. Diderot die er graag zijn rol in speelde, werd toch wel eens tureluurs van al die verliefde pluimstrijkers om zich heen en verzuchtte dat hij ook niet meer wist wie op wie verliefd was en waarom die nu weer gebrouilleerd was met zusofzo. Wat hem niet weerhield alles uitgebreid en met smaak op te dissen aan zijn vriendin in de provincie.

Honderdzevenentachtig brieven die onbevangen verslag doen van een leven, zevenhonderd pagina's waarin de lichtheid intact blijft. Van cynisme geen spoor, de cynicus is als iemand die geen vertrouwen heeft in de menselijke deugdzaamheid meer een held van ónze tijd. Vaak komt de gedachtenwereld van de philosophes ons onbegrijpelijk transparant en naïef voor, maar de achttiende-eeuwer ervoer zichzelf als eenheid, als wezen zonder innerlijke schaduwen die hij niet kende; van zoiets als een onderbewustzijn had niemand nog gehoord. Sinds Freud weten wij beter en zijn we onze drijfveren gaan wantrouwen.

Onbezwaard door de stortvloed van wetenschappelijke feiten en gegevens die hedendaagse discussies vaak zo lomp maken, ging men met niet meer dan het gezond verstand de wereld te lijf. Het is dan ook ironisch dat het juist Diderot met zijn Encyclopédie moest zijn die met die stortvloed een begin gemaakt heeft. Nu, aan het eind van de Moderne tijd, die we al wat voorbarig 'postmodern' noemen, hebben we twijfels gekregen over de zegeningen van de Verlichting. Al zijn we als Diderots erfgenamen niet meer zo onverdeeld gelukkig met àlles wat zijn nalatenschap ons gebracht heeft, zijn brieven aan Sophie behoren tot het beste wat zijn tijd ons te bieden heeft.

En de lichtheid? Helaas, die sneuvelt altijd als eerste op de schavotten van de revoluties.