Het Auto

Nog kort geleden schreef H.L. Wesseling in deze krant over het bij Nederlandse journalisten onuitroeibare verkeerde begrip van de term éminence grise. De inkt was nog niet droog of zie, op precies dezelfde plaats verscheen een column van Paul Scheffer waarin deze het heeft over 'de grijze eminentie van Amerika, George Kennan.' Ook Scheffer weet kennelijk niet wat die uitdrukking betekent ('Een empiricus langs de weg', 5-2-1996).

En wat had Scheffers vermeende grijze eminentie te beweren? Dit: 'Terwijl rond de treinstations steden groeiden, doet met de auto de slaapstad zijn intrede (-). 'De auto laat uiteenvallen wat de trein bijeen heeft gebracht. Het [sic] is de vijand van de geconcentreerde stad.'

Merk op hoe hierbij stilzwijgend gesuggereerd wordt dat de 'geconcentreerde stad' iets heel moois is en spreiding van voorsteden iets verwerpelijks. Waar berust die vanzelfsprekendheid op? Op de verbinding met de (of in Scheffers taalgebruik 'het') auto. Auto's zijn inblazingen van de Grote Satan; iets dat door auto's wordt veroorzaakt kan dus alleen maar slecht zijn. Guilty by association.

Afgezien daarvan is het natuurlijk ook nog onjuist: 'forensen' gebeurde met de trein; het zijn de spoorwegen die de groei van voorsteden hebben mogelijk gemaakt, pas in een later stadium gevolgd door de auto. Maar dat doet allemaal nauwelijks ter zake: wat het illustreert is dat de meest hemeltergende kletspraat geoorloofd is zodra het over auto's gaat. Niet grijs en niet eminent, die George Kennan.

Hoe komt het toch dat de auto de mensen infantiel maakt? Ik bedoel nu niet de mensen die er gebruik van maken, maar de mensen die er over schrijven. In de hele Westerse wereld, maar in Nederland meer dan in enig ander mij bekend land, heeft zich rondom de auto een cultus van morele verontwaardiging ontwikkeld die sterk farizeïsche trekken heeft. De column van Scheffer is wat dat betreft voorbeeldig: alle modieuze schijnheiligheden die in Nederland gangbaar zijn komen er in voor.

Compleet met de theologische galm: 'Het automobiel...' - waarachtig, Scheffer heeft iets met het geslacht van dit vervoermiddel - '...het automobiel, de zelfbeweger, is de concurrent op aarde van de onbewogen beweger.' Hierbij is het, denk ik, niet de bedoeling dat iemand zich afvraagt wat het betekent. Het is een zin zonder betekenis die er alleen maar voor de klank bij werd gezet.

Iets soortgelijks geldt voor het citaat van 'de Duitse filosoof Sloterdijk', waar Scheffer om duistere redenen mee aankomt: 'Omdat in de moderne tijd het zelf zonder zijn beweging helemaal niet denkbaar is, horen het ik en zijn automobiel metafysisch bij elkaar, als lichaam en ziel van dezelfde bewegingseenheid.' Pseudo-diepzinnig geleuter, net als het meeste van wat deze Duitse filosoof te beweren heeft.

Nog meer pregnante uitspraken: 'Het automobiel houdt sowieso niet van leven.' Dat klinkt ook Duits, maar het is van Scheffer zelf: de auto als monster met een eigen wil, ontsproten aan het kille, harteloze, onpersoonlijke universum der techniek. Aansluitend daarbij het koketteren met buitenstaanderschap, het bekende broertje van technische hulpeloosheid: 'Ik heb geen rijbewijs en zal nooit een auto bezitten...'

De koketterie schuilt in de suggestie dat een fatsoenlijk mens geen auto heeft, onderdeel van de demonisering van de automobilist en de bijbehorende heiligverklaring van de fietser: 'De verplaatsing per fiets is de hoogste snelheid die ik als dromer kan verantwoorden jegens de samenleving.' Het is allemaal even vals en aanstellerig. Ik, de dromer (hoe krijgt iemand het uit zijn pen); de fiets, symbool van mijn morele voortreffelijkheid; mijn beperkte snelheid, bewijs van mijn deugdzaamheid; immers 'De snelheid versmalt het bewustzijn en het pantser van ijzer verlaagt de morele drempel.'

Misschien is er toch wel iets te zeggen voor het behalen van een rijbewijs: het zou iemand voor het uitkramen van zulke onzin kunnen behoeden. Paul Scheffer weet namelijk precies hoe iemand zich voelt die een auto bestuurt: 'als een voet in een schoen'. De bestuurder (of bestuurster, het is de moeite waard om te zien hoe die passage leest in het vrouwelijk) 'voelt zich op een volle weg als een voet in een te nauwe schoen. Hij (zij) schreeuwt om lucht en is bereid zijn (haar) medeburgers de berm in te drukken, als het maar verlossing brengt.'

Waar haalt de fietsende dromer deze nonsens vandaan?

Helaas, van Henk Hofland. De heilige oorlog tegen de auto is een attrape-nigauds die Hofland tot enkele minder gelukkige delen van zijn veelzijdig oeuvre heeft geïnspireerd, zoals de aanwending van het woord 'autofascisme', dat Scheffer instemmend citeert. Het gebruik van dat woord betekent dat iemand je met geweld wil dwingen tot het onderschrijven van zijn gezichtspunt. Dat is ongewoon voor Hofland, maar het toont wel iets van de terroristische wortels van het Nederlandse auto-moralisme.

Het is karakteristiek voor dit land dat de manier van zich verplaatsen aanleiding geeft tot een theologisch dispuut. Al die zalvende moralisten, al die ingezonden brieven, vooral de Volkskrant is er sterk in, van mensen die ontdekt hebben dat 'het autorijden moet worden afgeschaft'.

'De auto is het zinnebeeld van ons vooruitgangsgeloof,' verkondigt Scheffer. Ach wat, altijd dat gezanik over het vooruitgangsgeloof - de auto is voor een grote meerderheid van fatsoenlijke mensen gewoon een gebruiksvoorwerp waarmee zij zo goed en zo kwaad als het gaat proberen van A naar B te komen. Daar zijn steeds meer complicaties aan verbonden, maar de oplossing komt niet dichterbij door die mensen aan te praten dat ze, in tegenstelling tot fietsers, immoreel zijn. Ze modderen maar wat aan, net als iedereen, en ze zijn tenminste niet schijnheilig, zoals de meeste fietsers, want die doen hetzelfde maar geloven bovendien daarmee een of ander verheven en onzelfzuchtig werk te verrichten.

Helaas, mijn nu zevenjarige ervaring in Nederland heeft bij mij het rotsvaste inzicht doen postvatten dat de meeste fietsers zich zeer veel egoïstischer en onverantwoordelijker gedragen dan de meeste automobilisten. Het feit dat je met een fiets minder kwaad kunt is de reden dat fietsers een grote straffeloosheid kunnen genieten, maar een argument voor hun morele superioriteit is dat niet.

Sprekend over moraliteit, er is volgens mij iets heel anders aan de hand: er heeft zich de laatste decennia in onze wereld een werkelijk immorele zelfzuchtigheid ontwikkeld, met een ongeremde agressie tegen alles en iedereen waardoor men zich gehinderd voelt. Zulke mensen zijn in een auto uiteraard gevaarlijker dan op een fiets, maar de specificiteit ervan ligt ongetwijfeld op een heel ander terrein. Wie een theologisch debat wil kan zich beter verdiepen in het gedrag van 'bewegingseenheden' als de KPN of Reed Elsevier, zoals nog kortgeleden beschreven in een huiveringwekkend artikel van Warna Oosterbaan in deze krant ('Informatiejunks in de maak', Opiniepagina 15-2-1996).

    • Rudy Kousbroek