Een veel te grote gettoblaster; Zelfbewust poëziedebuut van Henk van der Waal

Henk van der Waal: De windsels van de sfinx. Uitg. Querido. 62 blz. Prijs ƒ 27,50.

De windsels van de sfinx, het debuut van Henk van der Waal, is in veel opzichten een bijzondere bundel. Het begint al meteen in het eerste gedicht, waarin de dichter letterlijk worstelt met een vraag. De identiteit van de vraag wordt niet onthuld, maar dat het een grote vraag is staat wel vast. En dat de dichter kansloos is ook: binnen enkele regels is hij al 'met huid en haar' in het water beland. Hij spartelt dan nog wel tegen, maar de vraag is te sterk voor hem: hij wordt erdoor verzwolgen en van zijn verongelijkte protesten 'blijft niet veel meer over dan wat gemurmel / en wat geproest en wat luchtbellen.' Einde van het gedicht.

Nederlaag, gemurmel, geproest en wat luchtbellen: het is een opmerkelijk begin van een dichterschap. De grote vraag uit dit eerste gedicht moet wel betrekking hebben op de dood, want dat is het onderwerp dat Van der Waal (die het er natuurlijk niet bij laat zitten) in de rest van de bundel poogt te verkennen. Zes van de zeven afdelingen zijn gewijd aan het sterven, aan het grensgebied tussen leven en dood, aan het 'ingaan in de gelukzaligheid van / het uitgesloten zijn', zoals een van de vele formuleringen voor het terminale territorium luidt. Een opmerkelijk onderwerp, zeker voor een beginnende dichter, zeker als hij nu ook weer niet al te lang geleden geboren is: in 1960.

Naar de achtergronden van deze morbide belangstelling blijft het gissen. Een psychologische dichter is Van der Waal niet, al is er wel één plaats waar hij zichzelf 'gevoelsarm' noemt en bekent dat hij wel een ander zou willen zijn, 'met mooiere verhalen'. Maar verder lijkt hij eerder door filosofische nieuwsgierigheid gedreven te worden. Hij zou wel, terwijl hij als het ware nog beginnen moet, willen weten hoe hij na zijn dood geweest zal blijken te zijn. Maar ook andere duidingen zijn mogelijk. Als we recht doen aan de strakke bundelcompositie, dan zou de zevende en laatste afdeling een verklaring kunnen geven. Daarin wordt, onder de dubbelzinnige titel 'Uitgeteld', opmerkelijk hups en vrolijk de geboorte van een kind beschreven. Deze 'kroelende kraaiende deugniet' met haar 'onbezonken' blik herinnert de vader 'aan de tijd van voor de teloorgang'. En in het laatste gedicht bekent hij dat hij graag zou geloven in een eeuwigheid waarin hij zo, met zijn kind op de rug, zou kunnen blijven lopen. Zodat de zes zware afdelingen misschien wel opgevat moeten worden als noodzakelijk voorwerk voor de simpele laatste: eerst moest de klaarblijkelijke doodsobsessie uit de weg geruimd zijn voordat de kleine goedlachse dreumes ter wereld kon komen. De windsels van de sfinx uit de titel en uit de derde afdeling, de doeken waarin de Egyptenaren hun mummies wikkelden, worden hier andere windsels: de luiers van het raadselachtige nieuwe leven.

De duiding van het geheel mag dan nog wat onzeker zijn, overigens is Van der Waal, zeker voor een debutant, een opmerkelijk zelfbewuste dichter. Hij gebruikt een eigen vorm (2 x 7 of 2 x 10 versregels), meestal gevuld met maar één lange meanderende zin, melodieus en ritmisch en met wat ik nu maar noem een eigen toon. Daarin klinken wel ondertonen van Ouwens en vooral Faverey mee ('de zich weldra ontrazende eenzaamheid', 'de ontboodschapte'), maar echt storend is dat niet. Zijn gedichten zijn zelden eenvoudig, want zelf ook een soort van sfinxe windsels: lange linten, gewikkeld rond een raadselachtige kern. Na een plompverloren begin rollen de bijzinnen aan en vaak is niet duidelijk waarom nu juist deze bijzinnen moesten aanrollen. Ze bevatten nogal wat scherpzinnige omkeringen, paradoxen en redeneringen die om een verklaring vragen. Maar intussen veroorzaken ze een cadans die juist weer van de betekenis afleidt. En zo ontstaan mooi afgeronde gedichten, waarvan het effect mij sterk aan die van Faverey (door Van der Waal in het Frans vertaald) doet denken: altijd mooi en welluidend, altijd licht en muzikaal van stijl, maar altijd ook verwarrend en ongrijpbaar. Zeepbellen van buiten, betekenisbollen van binnen.

Dit alles zou wel eens de indruk kunnen wekken dat Van der Waal een hyperautonome dan wel hyperintellectuele dichter is, maar voorlopig lijkt hij mij veelzijdig genoeg om zich aan etikettering te onttrekken. Soms verdenk ik hem wel van mooispraak om de mooispraak, of van duisternis uit slordigheid, maar hij kan soms ook gewoon luchtig zijn, of hardop praten. In de afdeling 'Ad sanctos' bevat elk gedicht een Latijnse uitdrukking, dus dat ziet er al gauw ouderwets en hooggeleerd uit. Maar in elk gedicht vinden we ook ingrediënten uit het dagelijkse leven. Naast 'sub specie aeternitatis' en 'het dunne laagje zijnsvernis' vinden we hier ook een 'veel te grote gettoblaster', en trouwens ook de 'de asbak waarin Jos zijn sigaartjes placht uit te drukken'. Ingewikkeld is Van der Waal zeker, in alle betekenissen, maar hij kan, zelfs binnen de strakste vormen, nog alle kanten uit.

    • Guus Middag