Een stukje met God erin

Vóór de oorlog gaven de liberale kranten wel kerknieuws, maar van religieuze beschouwingen hielden ze lange tijd zich ver. Maar op een goed ogenblik vond de hoofdredacteur van een van die kranten dat het toch niet onpassend zou zijn als er eens in de week een stukje zou komen met, zoals hij zei, “God erin”. Per slot van rekening had zijn krant veel lezers die God nog niet hadden afgezworen.

En zo werd een gewezen predikant aangetrokken, die zo'n rubriek toegewezen kreeg. In de toenmalige Nieuwe Rotterdamse Courant heette ze In het voorbijgaan. Het waren vrijzinnige stukjes, met meer cultuur dan God erin. Maar ze werden gelezen. Na de pensionering van de schrijver verschenen ze niet meer, en ook niet andere van die aard.

Welnu, het stukje dat u nu onder ogen heeft, is een stukje “met God erin”. Ik zeg dit maar vooraf, zodat iedereen die niets van zulke stukjes moet hebben, kan afhaken. Ik kan alleen maar zeggen dat ik, met de Roemeense filosoof E.M. Cioran, God als een noodzakelijke hypothese beschouw.

Dat doet de Italiaanse schrijver Umberto Eco, eveneens agnosticus, blijkbaar ook; want vorige week hoorde ik hem op de Franse televisie, in het programma van Bernard Pivot, zeggen dat de filosofie twee voortdurende onderwerpen van bespiegeling heeft: God en de dood.

De directe aanleiding tot mijn bespiegeling van vandaag is een uitvaartdienst die ik onlangs meemaakte. Aan het eind ervan zei de predikant die de dienst leidde, tot de overledene: “Wij bevelen u in de handen van de levende God”. Onmiddellijk ging bij mij een lichtje branden en dacht ik aan wat er in Paulus' brief aan de Hebreeën staat (10:31): “Vreselijk is het te vallen in de handen van den levenden God!”

Wilde de predikant zeggen dat hij de overledene een vreselijk hiernamaals toewenste of zelfs voorspelde? Of was hij het woord in Hebr. 10:31 even vergeten? Die vragen hielden mij bezig, maar ik vond het niet gepast om de dominee er na afloop, tijdens de gebruikelijke koffie en cake, mee lastig te vallen.

Het toeval wilde dat ik een paar dagen later een andere predikant tegenkwam, en die legde ik de kwestie voor. Deze antwoordde onmiddellijk: “De schrijver van de brief aan de Hebreeën richt zich tot de levenden. Mijn ambtgenoot richtte zich tot een overledene. Voor hem (of haar) geldt het woord van Paulus niet, zo men wil: niet meer”.

Uitgaande van Ciorans hypothese vond ik dit een bevredigend antwoord. Immers, God is volgens de Bijbel ondoorgrondelijk. Dus wij kunnen hem niet kennen. Daaruit volgt weer dat, als wij met hem geconfronteerd zouden worden, wij tegenover iets volkomen ongekends, onvertrouwds, tegenover het Andere zouden komen te staan, dat niet kan worden begrepen met onze zinnen en onze normen.

Die confrontatie zou ons “verteren”, zei de predikant aan wie ik de vraag had gesteld, en hij verwees naar Exodus 33:20: “Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven”. Dat geldt voor de levenden; de doden zijn in een andere werkelijkheid, die wij niet kennen (en kunnen kennen), opgenomen.

Het klopt - allemaal uitgaande van de hypothese - als een bus. En elders in de Bijbel is er dan ook meermalen sprake van een huiver God te zien. Zo verborg Mozes bij de brandende braamstruik zijn gelaat, “want hij vreesde God te aanschouwen” (Ex. 3:6). En de profeet Elia “omwond zijn gelaat met zijn mantel”, toen hij God hoorde naderen in “het suizen van een zachte koelte” (1 Kon. 19:12,13).

Maar wat niet klopt is dat de Bijbel David meermalen laat zeggen dat hij liever in de handen van God valt dan in die van de mensen. “Toen zeide David tot God: Het is mij zeer bang te moede; laat ons toch vallen in de hand des Heren, want zijn barmhartigheid is groot; maar laat mij niet vallen in de hand der mensen” (2 Sam. 24:14 en, bijna letterlijk hetzelfde, 1 Kron. 21:13).

Wist David nog niet dat het “vreselijk is te vallen in de handen van den levenden God”, zoals Paulus enkele eeuwen later zou leren? Maar er was toch al vóór David gezegd: “geen mens zal Mij zien en leven”? En al vóór David was Mozes bevreesd “God te aanschouwen”? Of heeft David het over een andere God dan Paulus, Mozes en Elia? Een “levende God” vooronderstelt inderdaad, strikt genomen, het bestaan van zo'n andere God.

En klopt de “barmhartige” God, over wie David het heeft, met de God in wiens handen het vreselijk is te vallen? Die vragen moeten, dunkt me, ook de gelovige bezighouden. Het is begrijpelijk dat hij zich meer thuis voelt bij een barmhartige God dan bij die andere, “vreselijke” God, maar is de barmhartige God ook de echte God?

Nu moet men weten tot wie Paulus' waarschuwing over de “vreselijke” God gericht is: het zijn de afvallige christenen die dit lot wacht, dat nog erger is dan het lot dat joden treft die de wet van Mozes overtreden. Die verklaring las ik althans in Die Schriften des Neuen Testaments, neu übersetzt und für die Gegenwart erklärt (hrsg. von Johannes Weiss, 1908). Als die interpretatie juist is, biedt zij weinig stof tot bespiegeling over de existentie van de mens.

Maar de grond onder de voeten wordt nog onzekerder wanneer we, met de moderne nieuwtestamentische wetenschap, aannemen dat de brief aan de Hebreeën helemaal niet van Paulus is, evenmin trouwens als enkele andere brieven die aan hem toegeschreven zijn.

Ja, volgens de Duitse nieuwtestamenticus Gerd Lüdemann, wiens boek Ketzer: die andere Seite des frühen Christentums zojuist is verschenen, is die wetenschap er zelfs vrijwel van overtuigd dat van de woorden die in het Nieuwe Testament Jezus in de mond worden gelegd, slechts 15 procent werkelijk van Jezus is, en daartoe behoren niet bijvoorbeeld de avondmaalswoorden (“dit is mijn lichaam' en “dit is het bloed van mijn verbond”). Aldus in een interview in Der Spiegel van 19 februari jl.

Als dat zo is, dan blijft er voor de gelovige weinig meer over dan het woord van Pascal: “Wij branden van verlangen een stevige grondslag en een laatste vaste ondergrond te vinden om een toren op te bouwen die zich verheft tot in de oneindigheid. Maar heel ons fundament kraakt, en de aarde opent zich tot in de diepste diepten. Laten wij dus geen zekerheid en geen vastheid zoeken!”

    • J.L. Heldring