Een bekende rug; Verhalen van Fleur Bourgonje over Nederland en Zuid-Amerika

Fleur Bourgonje: De bruiden. Uitg. Atlas, 151 blz. Prijs ƒ 29,90. Verschijnt begin volgende week.

Het kind heeft het vuur brandend gehouden. Het zit voor het raam met het geweer en zes geplukte vogels. Het kijkt op wanneer de vrouw binnenkomt.

Zij zegt niets. Ze maakt een gebaar met haar twee lege handen.

Het kind draait zich om en knikt, loopt dan als in gedachten verzonken terug naar het raam.

Het volgende moment slaat hij met de kolf van het geweer de ruit in en slingert de geplukte vogels naar buiten. Hij schreeuwt, en hoewel het dal onbewoond is doet de vrouw haastig de deur dicht. Als hij haar opzij wil duwen houdt ze hem met haar laatste kracht tegen.

'Morgen', zegt ze, 'morgen graven we samen een greppel voor het smeltwater. En jij mag de struiken snoeien. En een ritje op het paard maken als je dat durft.'

UIT: FLEUR BOURGONJE, DE BRUIDEN.

Wat brengt een Nederlandse schrijver ertoe zijn werk steeds weer in Latijns Amerika te situeren? In De bruiden, de begin volgende week te verschijnen nieuwe bundel van Fleur Bourgonje, staan zeven verhalen die zich, net als sommige van haar eerdere boeken, grotendeels in vreemde landen afspelen. De namen van de landen worden niet genoemd, maar het is duidelijk dat het om Zuid-Amerika gaat. Er zijn bergmassieven en pampa's, en er wordt verwezen naar ongewisse dictatoriale politiek.

Een antwoord zou kunnen zijn dat de schrijfster dit deel van de wereld kennelijk het beste kent. Maar voor een schrijver is dat geen antwoord. Want waarom kent ze het zo goed? Wat zoekt ze er, waarom keert ze er steeds weer terug? Is dit het onbekende, het exotische met zijn klapwiekende vlinders, giftige mieren en macho-regimes? Wordt de verbeelding die een schrijver nodig heeft, gestimuleerd door het onverwachte natuurlijke en politieke landschap van Latijns Amerika? Of is het juist het elementaire, het bekende, bijna dierlijke leven dat trekt? Het is opvallend dat de mannen en vrouwen die Bourgonje in haar nieuwe bundel beschrijft, heel vaak mensen zijn zonder gecompliceerde innerlijke roerselen. Ze lijden onder een vage onrust, de mannen voelen zich impulsief door een vrouw en haar 'warme schoot' aangetrokken. Soms willen ze bij haar een kind verwekken en dan samen met haar het karige land bebouwen, in een traditie die vele eeuwen terug gaat.

In het eerste verhaal, 'De valleivrouw', lijkt Bourgonje haar motieven om over deze onderwerpen te blijven schrijven zelf aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Het verhaal, het langste en wat mij betreft ook het mooiste uit de bundel, begint met een vrij korte vertelling over een muilezeldrijver uit de bergen die een geliefde heeft in het dal, aan de andere kant van een grens. Beiden hebben te lijden onder de uit het meesterwerk van Márquez inmiddels befaamde Latijns-Amerikaanse eenzaamheid. De man is ooit verlaten door de vrouw van wie hij hield en voelt zich gedoemd om eeuwig het geluk te blijven zoeken. En ook de vrouw in het dal treurt over een oude liefde. Slechts één of twee keer per jaar trekt de muilezeldrijver de 'Paso Soledad' over om de vrouw en haar kind te bezoeken, in het weemoedige besef dat zijn liefde voor haar nooit tot volle wasdom zal komen.

Dit deel van de vertelling is traditioneel en zorgvuldig opgezet. De hoofdlijn wordt gevormd door de laatste tocht die de man over de bergen maakt, onder een snel opkomend onweer. En daar tussendoor wordt in terzijdes en flashbacks zijn noodlot geschetst. Dat geeft Bourgonje de gelegenheid een aantal motieven op een intrigerende manier uit te werken. Ze beschrijft heel beeldend het dreigende noodweer, dat de man in een overmoedige, fatalistische stemming niet langer vreest. Ze laat hem in korte flarden de tegenstelling overdenken tussen hoofd en hart die hem heeft verhinderd met een vrouw gelukkig worden. Met een zeker gevoel voor drama wordt de landsgrens beschreven, die natuurlijk ook als een figuurlijke grens mag worden gezien. Er zijn de beelden van een vroeger ik die het huidige ik in de weg zitten. En als schrijnend contrast daarmee is er het lokkend visioen om af te dalen naar een dal, waar de, voor de man onverdraaglijke, rust en huiselijkheid wachten.

Maar in het vervolg van het verhaal wordt de beschrijving plotseling overgeplaatst naar Nederland. We lezen over een Nederlandse schrijfster die aan een verhaal werkt, het verhaal over de muilezeldrijver. Op een feestje heeft ze een man ontmoet en samen met hem gaat ze op zoek naar wat hen beiden drijft. Het Zuidamerikaanse verhaal met zijn onbestemde weemoed en verlangen waaraan ze werkt krijgt op dat moment een plaats in hun leven in Nederland.

Het mooie is dat, naarmate het verhaal vordert, steeds meer uit het eerste, Zuidamerikaanse deel in het Nederlandse gedeelte terugkeert. De twee Nederlanders aarzelen of ze met elkaar een verhouding zullen aangaan, en één van de vragen die zij zich stellen is of ze het onbekende bij elkaar zoeken, de mogelijkheid tot verbeelding, tot fantasie, of dat het hun juist gaat om het vertrouwde. In andere woorden: zijn ze op zoek naar hun toekomst of naar hun verleden?

Bourgonje slaagt erin de melancholieke eenzaamheid van de muildierdrijver en de vrouw in het dal, steeds verder te laten samenvallen met de ambivalente gevoelens waar de twee Nederlanders, na een heel ander leven van omzwervingen en relaties, mee te kampen hebben. 'Dit moet een avond van de buitenkant blijven,' denkt de vrouw als ze de man weer ziet, net als de man die ze in haar verhaal beschrijft, 'een avond waarop het verschil tussen waar en onwaar er niet toe doet (-).' Maar tegelijk beseft ze dat haar verlangen uitgaat naar geborgenheid, en is terug te voeren op haar eerste jeugdervaringen in een stil Nederlands dorp: 'Ze ziet water stromen, regen, smeltwater, een beek met kroos en alen. Ze ziet perebomen in bloei en ongesnoeide struiken. Een man staat met zijn rug naar haar toe, maar de rug kent ze. Ze ziet een paard draven in de vallei.'

In dit eerste verhaal laat Bourgonje zien hoe het verlangen naar het exotische kan samengaan met een heimwee naar het bekende en overzichtelijke. Net als de schrijfster zelf waarschijnlijk worden haar personages geboeid door verhalen die deze twee uitersten in zich proberen te verenigen. Het openingsverhaal kan daardoor worden gezien als programmatisch voor haar schrijven. Het laat zien wat twee Nederlanders bij elkaar zoeken en hoe dit verlangen verwant is met wat Bourgonje aan de Zuidamerikanen in haar werk laat overkomen.

Juist door dit Nederlands element voorkomt de schrijfster dat haar bundel blijft steken in wat al heel gauw een pastiche zou kunnen lijken van wat de grote Latijns-Amerikaanse schrijvers hebben gedaan. Ze heeft iets toegevoegd aan het genre, waardoor haar boek ondanks de voorspelbare exotica toch een hoogstpersoonlijk, eigen produkt is geworden.

In de verhalen die op het openingsverhaal volgen, wordt nog vaak gependeld tussen het onbekende, exotische en het elementaire. Maar het kader waarin dat gebeurt ligt dan al vast. Bijna steeds gaat het in de verhalen over eenlingen uit Latijns Amerika die tussen de beide polen verscheurd dreigen te worden. Of het nu een fotograaf is die uit Buenos Aires naar Nederland is gekomen, een oude eenzame vrouw die zich in een zuidelijk café met fantasieën staande houdt, of de geliefde van een bandoneonspeler, steeds weer balanceert hun verlangen tussen verbeelding en heimwee, tussen het verlangen naar het onbekende en de treurnis over wat voorbij is. 'Ze trokken allebei door woestijnen en balanceerden op randen van afgronden,' schrijft Bourgonje in haar eerste verhaal over de twee Nederlanders. Ze 'raakten verzeild in uiteenvallende huwelijken, voelden zich achtervolgd of verlaten en begrepen talen niet of maar half, maar de keren dat ze zich sprakeloos uitleverden was het misgegaan, tot ze ten slotte naar de eigen taal en het eigen land terugkeerden; ook hier was het misgegaan.'

Fleur Bourgonjes De bruiden lijkt een mooie opmaat te zijn voor de komende boekenweek. Het heeft in zijn personages en decors de kenmerken van veel Zuidamerikaanse literatuur en laat tevens zien hoe dicht de motieven van die literatuur bij ons kunnen staan.