De moeder van Nicolien; Literaire tijdschriften

Tirade 362 1996-1. Uitg. Van Oorschot, 132 blz. Prijs ƒ 25. Parmentier 1996-1. 80 blz. Prijs ƒ 15. Postbus 1381, 6501 BJ Nijmegen.

Uitgever Wouter van Oorschot geeft in het eerste nummer van Tirade met de nieuwe redactie Trouw-criticus Tom van Deel een veeg uit de pan. Van Deel schreef een zeer onvriendelijk stukje over die nieuwe 'jongerenredactie', gevormd door beeldend kunstenaar Toine Moerbeek (1949), Zingende Zaag-redacteur George Moormann (1958) en de klaarblijkelijk bij Van Deel niet goed liggende dichter en poëziecriticus Rogi Wieg (1962). 'Kome er opnieuw: ruimte. Kome er opnieuw: verlossing van de betweters. Kome nu: De nieuwe Moed' - Van Oorschot klinkt strijdlustig genoeg. En de nieuwe redacteuren? Toine Moerbeek komt met een artikel over beeldgedichten, speciaal die van Félix Vallotton, Frans Masereel en Kuifjes Hergé. Het beeldgedicht hoort volgens Moerbeek niet thuis in een museum, maar juist wel in een literair tijdschrift: 'Het literaire tijdschrift is immers zelf geen autoritair instituut maar een kwetsbaar want beweeglijk ding dat zijn recht van bestaan ontleent aan het feit dat het blijvend om herziening vraagt van gekende, of vermeend gekende waarden.'

De twee andere nieuwe redacteuren, de 'jongeren', hebben niet zo'n dynamische visie op het literaire tijdschrift. Moormann schreef vijf gedichten over het verlies van een geliefde. Het verdriet maakte hij voelbaar, maar de beeldspraak is niet overal even soepel. 'En je weet dat hopen tegen beter weten in steeds / moeilijker wordt. De zachte fonteinen achter onze ogen zijn // reeds gekneveld door de harde trekken van een mond'.

Rogi Wieg, de bekendste en meest omstreden nieuweling van Tirade, komt op de proppen met een stuk over de onlangs overleden schrijver A. Alberts. Hij wekt eerder een vluchtige dan een dynamische indruk, met zijn korte herdenkingsalinea's, en het al half geschreven stuk vóórdat hij de boeken van Alberts begon te lezen. Wieg bladerde vluchtig de krant met Alberts' necrologie door, was vergeten dat hij Alberts ontmoet had en van hem een gesigneerde Inleiding tot de kennis van de ambtenaar had gekregen, en las daar een paar pagina's uit. Het werk van Alberts - hij las twee van zijn boeken - lijkt Wieg heel geschikt voor kinderen, en, grappig, ook zijn eigen redeneertrant klinkt hier kinderlijk: 'Hij heette Albert Alberts. (-) Misschien is met die naam alles begonnen: de eenvoud, maar ook het onvergetelijke, want een naam als Albert Alberts vergeet je nooit meer.'

Van iets als haast of vluchtigheid kan J.J. Voskuil niet beticht worden. Op 1 maart verschijnt deel 1 van zijn nieuwe boek, de zevendelige roman Het Bureau die zich afspeelt op het P.J. Meertensinstituut, waar Voskuil dertig jaar werkte. Tirade komt met een bijzondere voorpublikatie: een compilatie van alle stukjes uit het hele boek die over het personage 'de moeder van Nicolien' gaan, de schoonmoeder van de hoofdpersoon. 'Het Bureau is een verbluffende weergave van de Nederlandse condition humaine' ronkt een reclamebrochure van de uitgever. De 46 bladzijden over de schoonmoeder schijnen karakteristiek voor de hele roman te zijn. Tot in het geringste detail volgt Voskuil de steeds zinlozer dialogen van een echtpaar met haar langzaam dement wordende moeder. Trefzeker - hoe kan het ook anders als je zo ongelooflijk breed mikt - legt de schrijver de sfeer in een Haags verpleeghuis vast, en de sfeer tussen twee mensen die geïrriteerd of hulpeloos moeten toezien hoe moeders geest wegglijdt. Pogingen om haar erbij te houden zijn even aandoenlijk als tot mislukken gedoemd. “O ja, nou zie ik het.' 'Wie is het dan?' 'Een mevrouw.' Ze keek Nicolien hulpeloos aan. 'Ik wou zo graag mijn kind nog eens zien.' 'Maar ik ben uw kind toch.' 'Ben jij mijn kind?' Ze streek Nicolien over haar arm. Er kwamen tranen in haar ogen. 'Hoe kan dat nou, dat ik dat niet meer weet?' zei ze triest.'

Het Bureau is onafzienbaar, het wordt voor de lezer onderdompelen of verzuipen.

Er zit volop leven en dood in de Nederlandse literaire tijdschriften. Het meer spraak- dan iets anders makende tijdschrift Millennium ging onlangs ter ziele, en het eveneens op jongeren gerichte en even weinig presterende Zoetermeer van de generatie Nix maakt het belabberd. Het Nijmeegse Parmentier profileert zich handig als serieuze tegenhanger van deze bladen. 'Een paar leeftijdgenoten hebben het denken van onze hele generatie willen reduceren tot ófwel een vaag holistisch idealisme ófwel een zwart-romantisch maar o zo truttig nihilisme.' Parmentier zocht liever dan 'de hausse van de hype' de kwaliteitsverbetering en 'het niet-vanzelfsprekende dat zich op dit moment ook aftekent in de Nederlandstalige literatuur'. Wat zouden ze daarmee bedoelen? Wie, vooral? 'Podium en decor voor elke vorm van literatuur die zich niet conformeert aan souffleur of voetlicht' - Parmentier is geïnteresseerd in de literaire underdog die ten onrechte of uit eigen sterke wil nog onbekend is. Twee redacteuren stapten op, zodat nu het heft in de handen ligt van Marc Beerens, Jos Joosten en Frank Tazelaar. Juist nu het literair Produktiefonds de subsidies aan de literaire tijdschriften voor de komende jaren aan het verdelen is ligt er een nieuwe Parmentier over de marges van de poëzie - 'die al marginaal is binnen de literatuur, die al in de marge staat van de kunst, die al aan de rand staat van de cultuur, die zich in het maatschappelijk leven aan de zijlijn ophoudt' stelt Hans Vandevoorde in een inleiding. De poëzie van de toekomst wordt volgens hem geschreven door Marc Kregting, Paul Bogaert en Peter van Lier. Maar alleen Van Lier staat in dit nummer, met 'Gedachten over het ontstaan van poëzie' via Cornelis Verhoeven, Lyotard, Blanchot en Heidegger. De dichters die wél in Parmentier staan kunnen niet meer tot de marge gerekend worden: Erik Spinoy, Clara Eggink en J.C. Bloem, Wouter Donath Tieges, Arjen Duinker. Terecht wel marginaal is redacteur Tazelaar, die heel wat pagina's voor zichzelf en zijn absoluut ontoegankelijke, draaierigmakende gedichten opeiste.

    • Margot Engelen