De droom verwoord, het debacle geleefd; Gloedvolle biografie van Herman Heijermans

Het leven van Herman Heijermans was een vergeefse zoektocht naar succes. Direct na zijn dood veranderde dat; een onafzienbare menigte bewonderaars begeleidde hem naar zijn begraafplaats. Leven en sterven van Heijermans zijn in de biografie van Hans Goedkoop op een literaire manier vormgegeven. “Het boek is doordrenkt van Goedkoops onvervulbare verlangen een tijdgenoot van zijn held te zijn.”

Hans Goedkoop: Geluk. Het leven van Herman Heijermans. Uitg. De Arbeiderspers. 556 blz. Prijs ƒ 69,50

Het leven van Herman Heijermans (1864-1924), Nederlands bekendste toneelschrijver, is een tragedie geweest, een altijd weer vergeefse jacht op succes, een aaneenschakeling van hopeloze mislukkingen. Het is ronduit gewaagd dat leven - Heijermans stierf als een failliete, geflopte theaterdirecteur na een gruwelijk ziekbed op 59-jarige leeftijd - te beschrijven onder de titel Geluk. Hans Goedkoop, die dinsdag promoveerde op een biografie van Heijermans, verwijst met die titel naar een jeugdwerk van de toneelschrijver. Belangrijker is dat Heijermans, schrijft Goedkoop in zijn nawoord, 'een taal had gevonden voor geluk, omdat hij meer dan welke leider van het socialisme ook de dromen van het volk had verwoord, de dromen van verlossing uit de pijn van het bestaan'.

Gevierd werd hij pas na zijn dood, en wel direct daarna, toen hij door een onafzienbare menigte bewonderaars, onder wie veel Amsterdamse arbeiders, naar de begraafplaats Zorgvlied werd begeleid. In dat geluk wilde de biograaf delen: het boek is doordrenkt van Goedkoops onvervulbare verlangen een tijdgenoot van zijn held te zijn. Op een dag stuitte hij in een archief op het verslag van Heijermans' begrafenis uit de SDAP-krant Het Volk, waarop hij de acute behoefte kreeg die begrafenis zelf mee te maken, langs de boorden van de Amstel, in de zon tussen de duizenden. “Ik denk dat ik toen kon beginnen met schrijven.”

Het is de laatste zin van de biografie, die zo gloedvol en beeldend is geschreven dat filmmakers na lezing ervan meteen zullen willen beginnen met filmen. Goedkoop heeft zijn biografie nogal grof gemonteerd voor een wetenschappelijk werk. Dat komt weliswaar de leesbaarheid en het tempo ten goede, maar leidt ook tot opvallende omissies. Zo laat hij het levensverhaal van Herman Heijermans pas beginnen als die 17 is, in 1882. Dat jaar waren zijn ouders, Herman Heijermans sr. en Mathilda Spiers 25 jaar getrouwd. Hun tien kinderen lieten zich bij wijze van cadeau gezamenlijk op de foto zetten en Herman, het derde kind, maar de eerste zoon, schreef een toneelspel in rijmende verzen: 'Geluk'.

Aan de hand van de foto, de teksten van het toneelspel en het met familiegrappen doorspekte menu van het feestdiner, voert Goedkoop zijn lezers binnen in het comfortabele maar overvolle huis van de familie Heijermans aan de Schiedamsesingel in Rotterdam, waar moeder wanhopig probeert de kinderen stil te houden omdat vader, journalist bij de NRC, zijn dagelijkse stukjes moet schrijven. Hoewel vader en moeder stamden uit de bloem van joods Rotterdam deden ze niet erg joods bij Heijermans thuis. Ze gingen niet naar de synagoge en de kinderen bezochten geen joodse scholen.

Als de biografie begint zit Herman al in de vierde klas van de HBS en tekent hij thuis in zijn 'kantoor', een rommelhok op zolder, verzen en gelegenheidsstukjes op in een schoolschrift. Waar hij geboren is, of hij besneden werd, hoe hij als peuter en kleuter was, op welke lagere school hij zat en of hij al dan niet bar mitswa heeft gedaan, wordt niet onthuld. Waren daar geen bronnen voor, of waren de eerste jaren van Heijermans' leven, in weerwil van Freud, zonder betekenis? Voor deze originele aanpak ontbreekt een verantwoording; ook het ongeveer 120 pagina's tellende, gedetailleerde notenapparaat verschaft geen opheldering.

Lompenhandel

Direct na zijn eindexamen HBS trad Herman Heijermans, 18 jaar oud, in dienst bij de Wissel- en Effectenbank op de Blaak, wat zijn vader, een echte Rotterdamse liberaal, deed gloeien van trots. Maar de jongen zelf was minder tevreden over het vooruitzicht bankier te moeten worden. Hij ging door met schrijven, tot ongenoegen van Heijermans sr. die een toneelstuk dat zijn zoon nota bene aan hem opdroeg wreed verscheurde.

Herman besloot in zaken te gaan. Net als de vader van zijn orthodox joodse verloofde Betsy Vles, begon hij een handel in lompen en oude metalen, maar noch zijn verloving, noch de onderneming hield stand. Alle zeilen werden bijgezet om een faillissement - in Rotterdam de grootste schande die iemand kon overkomen - te verhinderen, maar dit nam niet weg dat Heijermans op 26-jarige leeftijd zat opgezadeld met een schuld van om en na bij de 30.000 gulden, waar hij de rest van zijn leven onder gebukt zou gaan.

In navolging van zijn vader en zus Ida probeerde Heijermans vervolgens aan de kost te komen als journalist, hoewel feuilleton-schrijver meer van toepassing is op het genre dat hij beoefende. Zoals Ischa Meijer voor zijn Dikke man-columns door Amsterdam zwierf, zo kuierde Heijermans als een soort Dikke man avant la lettre langs de rafelranden van Rotterdam, door steegjes en achterbuurten, om vervolgens onder het pseudoniem Cali-Nicta (goedenacht) verslag te doen van zijn wederwaardigheden en zijn gesprekken met kleurrijke stadsgenoten. Van enige opstandigheid is in deze krantestukje nog geen sprake. Hij respecteerde de werkman om zijn deemoed, zijn berusting en niet om zijn opstand, want de wereld was zoals ze was en onderscheid moest er nu eenmaal zijn. Cali tutoyeerde de mensen, het volk noemde hem U en mijnheer.

Een jaar na het debacle met de lompenhandel vertrok Heijermans naar Amsterdam, centrum van het literaire en culturele leven, om er een bestaan als kunstenaar te beginnen. In een café op het Rembrandtplein bewonderde hij vanuit de verte de Tachtigers en hun vrienden, Kloos, Boeken en Witsen, die hij in zijn Rotterdamse feuilletons nog bespot had om hun woordkunst. Intussen debuteerde hij als literator niet in het blad van de Tachtigers, De Nieuwe Gids, maar in De Gids, met een novelle waarin al een aantal belangrijke thema's voorkomen die ook zijn latere werk kenmerken: zijn ambivalente gevoelens jegens joden, de verhouding joden-christenen en de hypocrisie van het burgerlijke huwelijk.

In Amsterdam vond Heijermans een kamer bij een juffrouw op de Ceintuurbaan, vlak bij de Amstel en aan de rand van de Pijp, een buurt met veel artiesten, studenten, hoeren, bohèmes en journalisten. Hij vond werk als journalist bij het nieuwe, ongebonden liberale dagblad De Telegraaf, waar hij begin 1893 in dienst trad als toneelrecensent. Maar hij wilde meer. Koud in Amsterdam benaderde hij de gerenommeerde politiek commentator van De Nieuwe Gids, Franc van der Goes met plannen voor een nieuw op te richten letterkundig tijdschrift. Ook stuurde hij een brief rond waarin hij mensen uit de kunstwereld uitnodigde voor een door hem belegde bijeenkomst in Odeon om een heuse 'Artisten-sociéteit' op te richten. Arnold Ising, die op de nominatie stond secretaris te worden van het gezelschap dat de Stadsschouwburg bespeelde, schreef vervolgens aan Lodewijk van Deyssel: 'De Heer Herman Heijermans Jr. is kortgeleden uit Rotterdam aangekomen en wordt aangezien voor een indringerig joodje'.

Kamertjeszonde

Men zat in Amsterdam niet op Heijermans te wachten, zoveel wordt duidelijk, maar wat Heijermans bewoog zich als nieuwkomer zo megalomaan te gedragen (natuurlijk kreeg hij niet onmiddellijk een eigen blad en societëit), komt minder uit de verf. Heijermans barstte van energie en talent, maar ook, zo wordt uit het vervolg van zijn levensverhaal gaandeweg duidelijk, van een aan waanzin grenzende zelfoverschatting. De steeds maar nieuwe schulden waarin hij zich stak, zijn reddingsfantasieën en zijn bij tijd en wijle buitenproportionele levensstijl doen denken aan het gedrag van een manisch-depressieve patiënt. Goedkoop heeft in zijn biografie niet gekozen voor een psychologische benadering, hij benoemt de kwaal waar Heijermans mogelijk aan heeft geleden niet, maar tussen de regels doemt een ziektebeeld op.

Behalve zijn journalistieke bijdragen publiceerde Heijermans vanaf het begin van de jaren negentig aan de lopende band toneelstukken die met wisselend succes werden opgevoerd. Goedkoop behandelt zowel het journalistieke als literaire werk van Heijermans, alsmede de receptie ervan, strikt chronologisch en vaak nogal terloops, wat gezien de omvang van Heijermans' oeuvre verklaarbaar is. Een uitzondering maakt hij voor de fel-realistische roman Kamertjeszonde, gepubliceerd in 1897 onder het pseudoniem K. Habbema, door een uitgever van pornografie omdat niemand anders zich eraan wilde wagen.

Kamertjeszonde is het verhaal van Heijermans' eigen leven. Een voornamere, interessantere bron kon Goedkoop zich als biograaf dan ook niet wensen. Maar waar begint de fictie en eindigt de werkelijkheid? In Kamertjeszonde wordt de ongeveer dertigjarige schrijver Alfred Spier verliefd op Georgette, een juffrouw van betrekkelijk lichte zeden die haar brood verdient met optredens in café-chantants en met betaalde gunsten aan heren die ze daar ontmoet. Spier wil haar redden, verheffen zelfs. Hij maalt niet om haar echtgenoot in Amerika, gaat met haar 'hokken' en neemt de zorg voor haar twee kinderen op zich. Zo leven zij in zonde, totdat de echtgenoot van Georgette terugkeert, echtscheiding aanvraagt en de kinderen laat weghalen van hun moeder, die hen nooit meer zal terugzien.

De feiten doen sterk autobiografisch aan. Dertig jaar oud ontmoette Heijermans tijdens de opvoering van een Parijse klucht in zaal Prot aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan de 24-jarige Marie Peers, zangeres bij het variété, analfabete, moeder van twee kinderen en met een echtgenoot in Amerika. Heijermans ging met haar samenwonen, raakte om die reden gebrouilleerd met zijn vader en is met Marie getrouwd na haar echtscheiding en het verwijderen van haar kinderen. Ze kregen een dochter, Hermine.

Om tot de liefdesrelatie tussen Herman Heijermans en Marie Peers door te dringen heeft biograaf Goedkoop zich volledig op de roman gebaseerd, waarbij hij de lezer waarschuwt dat wegens gebrek aan bronnen de werkelijkheid niet meer te achterhalen valt. 'De verbeelding heeft de werkelijkheid opgeslokt, schrijft hij.' Dit werpt de vraag op of de waarheid geen geweld wordt aangedaan. Vooral de arme Marie Peers wordt zo vereenzelvigd met Georgette uit Kamertjeszonde dat van een eigen persoonlijkheid nauwelijks sprake meer is. Hoe was zij in werkelijkheid? Terloops vernemen we dat Marie, toen ze Heijermans ontmoette nog analfabeet, een paar jaar later gedichten schrijft voor Het Volk alsmede een toneelstuk dat met succes is opgevoerd. Zij moet een creatieve en buitengewoon intelligente vrouw zijn geweest, maar daarvan blijkt nauwelijks iets. Marie ontwikkelde zich volgens Heijermans gaandeweg tot zenuwpatiënte en Goedkoop neemt deze diagnose min of meer over.

Herman Heijermans en Marie Peers zijn tot 1918 getrouwd gebleven, een periode dat hij in binnen- en buitenland triomfen vierde met maatschappijkritische toneelstukken als Op Hoop van zegen, honderden keren opgevoerd met Esther de Boer-van Rijk als Kniertje in de hoofdrol. Heijermans schreef zijn aanklachten tegen het kapitalisme uit een sociale bewogenheid die hem eind jaren tachtig had doen kiezen voor het lidmaatschap van de SDAP, de Sociaal Democratische Arbeiders Partij. Ook zijn broer Louis die in Amsterdam medicijnen studeerde en zijn gefortuneerde vriend en collega-toneelschrijver Frans Mijnssen werden lid.

Kaakwond

Waarom Heijermans en velen uit zijn omgeving voor het socialisme kozen, maakt Goedkoop niet erg inzichtelijk. Zeker, het was de tijdgeest: tal van kunstenaars en intellectuelen stelden zich op aan de zijde van het proletariaat in de hoop op een mooiere, rechtvaardiger wereld. Maar of dat een afdoende verklaring is? Heijermans was eerder anti-burgerlijk, dan anti-kapitalistisch, sterker: hij was dol op geld, speculeerde op de beurs en gedroeg zich bij tijd en wijle poenig. Van de socialistische theorie, het marxisme, moest hij bovendien weinig hebben, zoals blijkt uit zijn correspondentie met SDAP-coryfeeën als Herman Gorter en Henriette Roland Holst over zijn eventuele deelname aan hun theoretische blad De Nieuwe Tijd.

Politieke geschiedenis is niet de sterkste kant van deze biografie, die op dit gebied ook enkele fouten bevat. Zo meldt Goedkoop dat Heijermans zijn eigen onafhankelijke socialistische tijdschrift De Jonge Gids oprichtte als reactie op De Nieuwe Tijd die onder de hoede van het partijbestuur van de SDAP stond. Dat laatste is onjuist: De Nieuwe Tijd was geen partij-orgaan, reden waarom de redactie regelmatig op voet van oorlog verkeerde met de SDAP-leiding. De politieke context waarin Goedkoop de socialist Heijermans laat figureren is over het algemeen uiterst summier: de dramatische scheuring van de SDAP in 1909 komt niet ter sprake, de Eerste Wereldoorlog slechts zijdelings, terwijl de Russische revolutie, die alle socialisten in staat van opwinding bracht, en Troelstra's november-revolutie van 1918 zelfs niet worden genoemd.

Des te sterker is Goedkoop in het beschrijven van Heijermans' persoonlijk leven. In 1907 - hij zag de koersen van zijn fondsen dalen en zijn toneelstukken flopten de een na de ander - leende hij 9000 gulden van een vriendin en vertrok met vrouw en kind naar Berlijn. Hij had daar eerder successen geoogst en hoopte er in samenwerking met grote regisseurs en theaterdirecteuren die hij kende furore te maken. Het werd een fiasco. Hij leefde op veel te grote voet, ging avond aan avond uit, hield er een minnares op na, zijn huwelijk liep stuk en last but not least bleek hij als toneelschrijver uit de mode.

Berooid kwamen de Heijermansen in 1912 terug in Amsterdam. Herman publiceerde het ene krantefeuilleton na het ander om brood op de plank te krijgen. In zijn Amsterdamsch Schetsboek onder het pseudoniem Samuel Falkland beschreef hij het drama van een vader en zijn dochtertje die van honger omkomen en worden gevonden in een beek.

Intussen dreigde de Toneelvereeniging, die al sinds jaar en dag in de Hollandsche Schouwburg zijn stukken speelde, in te storten: de directeur was ziek, talent liep weg, nieuwe krachten werden niet aangetrokken, stukken flopten en de schulden stapelden zich op. Om te redden wat er te redden viel, besloot Heijermans zelf directeur te worden, een functie die hij tot 1923 heeft bekleed. Deze dramatische episode is door Goedkoop werkelijk prachtig beschreven. De tijden voor het theater werden steeds slechter: eerst kwam de oorlog, vervolgens de concurrentie van de bioscopen waardoor het publiek wegbleef en de zaalhuren niet meer waren op te brengen. De onervaren Heijermans moest opboksen tegen grootheden als Verkade en Royaards en ondanks alle energie en geld die hij in zijn toneelgezelschap stak, moest dit het loodje leggen. In een laatste daad van hoogmoedswaanzin huurde hij voor vierduizend gulden per week het onbespeelbare Carré met 2400 stoelen, waarvan het uitgesloten was dat zijn middelmatige gezelschap ze ooit vol zou krijgen.

Op hoop van zegen - dat lijkt het levensmotto van Herman Heijermans te zijn geweest. In 1923 werd hij, 58 jaar oud, failliet verklaard. Vijf jaar eerder was hij getrouwd met de jonge actrice Annie Jurgens die hem een dochter en een zoon schonk. Maar ook dat geluk mocht niet duren. Een jaar na zijn faillissement werd er kanker geconstateerd in zijn onderkaak. Hij heeft verschrikkelijk geleden, eerst in het Anthonie van Leeuwenhoekhuis, vervolgens thuis in Zandvoort. Omdat hij niet meer kon spreken schreef hij wat hij wilde zeggen op: ontroerende teksten waar Goedkoop ruimschoots gebruik van heeft gemaakt. De sterfscène, een bloeding die Heijermans in de spiegel uit zijn kaakwond ziet stromen, is meesterlijk. Maar het aangrijpendst is de begrafenis in Amsterdam, een uitvaart zoals Nederland niet meer gezien had sinds de dood van Domela Nieuwenhuis.

Hans Goedkoop heeft het leven en sterven van Herman Heijermans op een literaire manier vorm gegeven en zich daarbij heel wat gepermitteerd: vermenging van fictie en werkelijkheid, minimalisering van historische context, een nogal willekeurige behandeling van het journalistieke en literaire oeuvre en een betrokken schrijfstijl die weinig afstand tot Heijermans toelaat. Maar deze bezwaren worden ruimschoots gecompenseerd door Goedkoops taal, eruditie en passie, waarmee hij recht doet aan Heijermans.

    • Elsbeth Etty