De collectieve solo; Muziekgeschiedenis volgens Wynton Marsalis

Wynton Marsalis: Marsalis on music. Uitg. W.W. Norton, 170 pag. Prijs ƒ 65,50

De ook buiten jazzkringen gewaardeerde documentaire-reeks Marsalis on music, die vorig jaar op de BBC en daarna op de Nederlandse televisie was te zien, heeft geleid tot de uitgave van een gelijknamig boek met bijbehorende cd. De verdienste van de Amerikaanse stertrompettist Wynton Marsalis is dat hij in zijn behandeling van de twintigste-eeuwse muziekgeschiedenis - tot 1940 - concertmuziek en cafémuziek naast elkaar plaatst en vergelijkt. Bovendien, en dat is belangrijker, bezit hij als een van de weinigen het talent om beide muzieksoorten goed uit te voeren.

Het boek Marsalis on music is geschikt voor iedere muziekliefhebber of amateurmusicus, en zijn of haar eventuele leergierige kinderen. Mede met het oog op die laatsten, staat Marsalis op de kaft afgebeeld temidden van modeljeugd. Hoewel hij wel eens een open deur intrapt, of soms iets te veel peptalk ten beste geeft, weet hij in het boek toch op een inzichtelijke en speelse manier complexe begrippen zoals polyfonie, syncope en improvisatie over te brengen. Op de cd is aan de hand van goedgekozen voorbeelden te horen wat hij bedoelt.

Marsalis begint zijn verhaal op strategische wijze bij wat hij ziet als de basis van alle toonkunst: ritme, in een hoofdstuk dat de pakkende titel draagt Why Toes Tap. Zijn definitie van muziek luidt dan ook: georganiseerd geluid in de tijd.

Vooral ritme en tempo onderscheidt bijvoorbeeld Tsjaikofski van Ellington, volgens Marsaslis. Veel meer dan harmonie of melodie. Neem de Notenkraker Suite van Tsjaikofski, ook op muziek gezet door Ellington. Waar in de klassieke muziek, althans in de tijd van Tsjaikowski, het accent komt te liggen op de eerste en de derde tel van een vierkwartsmaat, is het bij (oude) jazz juist de tweede en vierde tel van zo'n maat, ook wel de backbeat genoemd, die het accent krijgt.

In het tweede hoofdstuk bespreekt Marsalis de harmonische vorm van composities. Hier ziet hij een parallel tussen de sonate-vorm uit de klassieke muziek en het blues- en rythmschema uit de jazz. Als voorbeelden neemt hij Prokofjev en Gershwin. Zoals de structuur van een sonate uit de Klassieke symfonie van Prokofjev simpel kan worden voorgesteld als 'uiteenzetting van het thema' - 'fantasie' - 'reprise', zo zijn veel Gershwin-stukken terug te voeren op een AABA-structuur, waarin de A het thema voorstelt en B de zogenaamde bridge. Ook al heeft Marsalis in dit hoofdstuk weer een boel originele vergelijkingen bij de hand, zoals die van compositie met architectuur, de materie blijft ingewikkeld. Niet alleen tieners zullen met vragen blijven zitten. De belangrijkste vraag is wat eigenlijk de harmonische relatie is tussen het A- en B-deel in de blues, respectievelijk het thema en de fantasie in de sonate. Het antwoord vereist een diepe duik in de harmonieleer.

Voor dat soort - betrekkelijk saaie - excursies heeft Marsalis geen tijd, want hij wil snel door naar een vergelijkende studie van de rol van begeleiders en solisten in jazzbands en klassieke blazersenembles. Hierbij komen de componisten John Philip Sousa (er moest in deze categorie kennelijk ook een Amerikaan bij) en Louis Armstrong aan bod. Marsalis maakt op overtuigende wijze duidelijk wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen marsmuziek en ragtime. Het verschil zit niet zozeer in improvisatie op zichzelf, want die bestond al ten tijde van de barok. De vernieuwing van de New Orleans-jazz was dat er collectief geïmproviseerd werd, dat wil zeggen door alle groepsleden tegelijk. De individuele vrijheid van de blazerssectie, met name klarinettisten en trombonisten uit een jazzorkest leidde tot partijen die al vanaf de eerste maat alle kanten op schieten.

Met de koptelefoon op om tegelijkertijd de muziekvoorbeelden af te luisteren strekt Marsalis on music tot vermaak. Voor Marsalis' pedagogische doel is sinds enige tijd echter een veel beter medium voorhanden: cd-rom. Misschien dat zijn uitgever voor de vervolgcursus, waarin latere moderne muziek aan de orde zou moeten komen, dit medium eens uitprobeert. Of Marsalis daaraan toekomt is zeer de vraag. Behalve dat hij keer op keer zijn voorkeur te kennen geeft voor de vroege traditie, is er een fundamenteler probleem: wat hebben Dmitri Sjostakovitsj en Charlie Parker met elkaar gemeen?