De auto wordt steeds geler

De Duitse schrijver Franz Fühmann werd door twee ideologieën gekielhaald: de nazistische en de communistische. Zijn verhaal 'De jodenauto' laat overduidelijk zien waar primitief antisemitisme vandaan komt. Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Franz Fühmann: De katachtige wilden we verbranden. Uitg. Wereldbibliotheek, 1985. Het boek is inmiddels bij De Slegte uitverkocht.

Op een bepaalde leeftijd wordt onwetendheid meestal alleen nog maar door toeval opgeheven: een schrijver die je allang had moeten kennen botst tegen je op zoals dat soms op een trottoir ook gebeurt, en dan heeft er een ontmoeting plaats gevonden. Zo ongeveer verging het mij met Franz Fühmann. Een winteravond in Berlijn, niets bijzonders te doen, een vriend die vraagt of ik meega naar een lezing, de naam van de schrijver zegt me niets maar ik doe het toch. Dan blijkt dat de schrijver al meer dan tien jaar dood is, vervreemd van het regime in afzondering in de vroege DDR geleefd heeft, dat zijn verzamelde werk vele delen beslaat. Twee mannen zullen die avond uit zijn brieven voorlezen. Niet zomaar mannen, het zijn leden van het trio infernal dat ik in zijn volledige bezetting al eerder heb horen voordragen uit het werk van Arno Schmidt, dat één van hen ook uitgeeft. Hier is dus passie aan de orde, nalatenschappen die met liefde gekoesterd worden. Het is vreemd, de brieven van een auteur van wie je geen enkel werk kent, maar eigenlijk is er tegelijkertijd geen betere introductie denkbaar. Ze beslaan de jaren 1950-1984, en trekken je daarmee weer in het verwrongen leven van die eigenaardige, nu verdwenen republiek. De brieven waren die avond zorgvuldig gekozen. Fühmann had als soldaat uit Sudeten-Duitsland in volle overtuiging aan de oorlog meegedaan, iets wat hij zijn leven lang berouwen zou. Hij vecht aan het Oostfront, raakt in Russische krijgsgevangenschap, wordt daar twee jaar lang 'heropgevoed' en komt als overtuigd communist in (Oost-)Duitsland terug. Zijn ervaring is de oorlog, daar zal hij ook over schrijven. De langzame, en dramatische, ontgoocheling met ook dit regime wordt aan de hand van de soms zeer persoonlijke brieven duidelijk. Waar hij in het begin nog bewonderende brieven aan Johannes Becher (dichter en latere Kultur-minister) schrijft en tegenover Günter Grass in een open brief (1961) de DDR verdedigt, volgen later brieven aan anderen die hij tegen de doctrinaire ijveraars van zijn Staat probeert te beschermen, zoals Wolfgang Hilbig en Uwe Kolbo, en nog later komen daar dan de bijtende, absurdistische tirades bij tegen allerlei instellingen zoals de telefoondienst die zijn toestel heeft afgesloten, en dat niet wegens wanbetaling. De brieven hadden me nieuwsgierig gemaakt, en toen ik niet lang daarna bij De Slegte een Nederlandse vertaling van een aantal van zijn verhalen zag, heb ik die meteen gekocht, (De katachtige wilden we verbranden) vooral ook omdat 'De jodenauto' er in stond, een verhaal dat in Duitsland nogal een reputatie heeft, waarschijnlijk omdat het zo overduidelijk laat zien waar primitief antisemitisme vandaan komt. Het Boheemse platteland, een lagere school, een hysterische kletskous die in de klas vertelt dat er 'in de bergen' een auto is opgedoken met joden met lange messen die meisjes slachten om van hun bloed een toverbrood te bakken, echt waar, ze heeft de auto zelf gezien, het bloed droop van de treeplank. De jongen die dit verhaal hoort heeft nog nooit een jood gezien en weet ook niet wat dat is, maar thuis heeft hij wel verhalen gehoord over woeker en uitbuiting en haat tegen Duitsers. Hij is verliefd op het ene stille meisje in de klas en heeft de fantasie van een latere schrijver - als hij een dag later ergens alleen in het veld loopt te mijmeren ziet hij plotseling een vreemde auto die dan wel niet geel is zoals de jodenauto, maar zijn angst jaagt zijn verbeelding op zodat de auto steeds geler wordt en hij vluchten wil maar niet durft, tot er een stem uit die auto komt die hem in zijn oververhitte fantasie zo'n angst aanjaagt dat hij kotsend van angst naar huis vlucht. De volgende dag vertelt hij zijn verhaal op school comleet met bloed en heldenmoed, en dan gebeurt het vreselijke: het stille meisje op wie hij zo graag indruk wilde maken demonteert zijn verhaal 'met haar kalme, bedachtzame stem', ze bewijst dat uur en plaats kloppen, dat het haar oom was in een gewone bruine auto die aan een jongen de weg had gevraagd die schreeuwend was weggelopen en het meisje glimlachte met die kalme wreedheid waartoe alleen kinderen in staat zijn. De jongen vlucht onder het hoongelach van de hele klas naar de wc. 'Joden!', schreeuwde ik en nog eens 'Joden!', hoe dat alleen al klonk: 'Joden, joden!', en ik stond huilend in het wc-hokje en schreeuwde en toen moest ik overgeven. Joden. Het was hun schuld.'

De waarde van dit verhaal zit niet in de op zichzelf simpele anekdote, maar in de manier waarop die opgeschreven is, en vooral in de historische context waarin de schrijver het verhaal laat staan zonder er met het schuldbewustzijn van de terugblik ook maar iets aan toe te voegen. Nog sterker past Fühmann dit procédé toe in een paar andere verhalen uit deze bundel, zoals 'De schepping' en het prachtige 'Kameraad' gruwelijke belevenissen van Duitse frontsoldaten in Rusland en Griekenland: dingen die ze meemaken en die ze veroorzaken, maar steeds met de blik van de vertelling één kant op gericht zodat je de slachtoffers ziet door het oog van de daders. Fühmann kon deze verhalen misschien beter schrijven dan wie ook: hij was in zijn leven door twee ideologieën gekielhaald, waarbij de tweede indoctrinatie, zoals hijzelf later inzag, perfide voortbouwde op de eerste. Zijn hele leven had hij nodig om met de nazitijd en de oorlog af te rekenen, zijn laatste jaren was zijn gevecht als overtuigd socialist die de DDR niet, zoals zovele anderen, wilde verlaten, tegen het regime dat hij ooit in de grote desillusie na de oorlog met zoveel overtuiging omhelsd had. Ein Deutches Schicksal. Het drama is dat hij zijn beste werk (onder andere Der Sturz des Engels, autobiografische geschriften naar aanleiding van de poëzie van Trakl) pas in de laatste jaren van zijn leven heeft kunnen schrijven, vechtend tegen de kanker. Zijn epos Bergwerk heeft hij niet meer af kunnen maken, de gepubliceerde fragmenten laten zien hoe oneindig jammer het is. 'De katachtige' is voor mijn gevoel een beetje te toevallig samengesteld: naast de oorlogsverhalen ook zoiets van science fiction (niet mijn voorkeur) en de bewerking van het Hephaistosverhaal naar het achtste boek van Odyssee, maar het is een onmisbare inleiding op het werk van een van de belangrijkere Duitse auteurs van deze eeuw, die de dubbele verscheuring van zijn land met die van zichzelf heeft moeten betalen, en de pijn en de schuld niet uit de weg is gegaan.

    • Cees Nooteboom