'Beetje inflatie beter dan chronische werkloosheid'

De legendarische politiek-econoom John Kenneth Galbraith (bijna 88 jaar) reist nog immer met de energie van een vitale zestiger over de aardbol om zijn sociaal-democratische gedachtengoed te verspreiden. Onlangs was hij even in Amsterdam om de uitgave van zijn nieuwste boek 'Wereldeconomie in deze eeuw' (Anthos) op te luisteren met een lezing en enkele vraaggesprekken. Kort voor hij doorreisde naar zijn huis in Zwitserland om daar verder te schrijven aan zijn volgende (37ste) boek ('The Good Society') sprak hij met deze krant in een Amsterdams hotel, nogal vermoeid en met een voorkeur voor grote lijn en globale schets.

John Kenneth Galbraith is wel afgeschilderd als een belangrijk representant van de organisch-beschrijvende, sociologisch-historische, Duits-Oostenrijkse en visionaire stroming in de economie, die het inmiddels heeft moeten afleggen tegen de meer theoretische, analytische en academische traditie van Marshall, Walras enzovoorts. De maestro glimlacht om deze mondvol en vertelt: “Ik heb de economie altijd gezien als een deel van een groter sociaal, politiek en cultureel geheel. Vanuit die achtergrond heb ik geanalyseerd en ik geloof heilig in mijn gelijk. De economische analyse die zich losmaakt van die achtergrond is suspect.” Maar schort het Galbraith niet aan navolgers die even spraakmakend en bekend zijn als hij zelf? Is hij de laatste der Mohikanen? “Welnee”, schudt hij het gebeitelde, aristocratische hoofd. “Neem een Robert Heilbronner, een Lester Thurov en zoveel andere vrienden.”

In zijn standaardwerk 'The Affluent Society' (De economie van de overvloed) waarmee hij in 1958 op slag beroemd werd, waarschuwde Galbraith voor de ongeremde consumptiedrift en de groeiende ongelijkheid tussen particuliere en publieke consumptie. “Daardoor hebben de mensen mooie auto's en televisies maar kampen ze tegelijk met overvolle wegen en slecht onderwijs”, zegt Galbraith. “Deze onevenwichtigheid bestaat nog steeds, zeker in de Verenigde Staten.”

In een andere bestseller, 'The Culture of Contentment' (De cultuur van tevredenheid) borduurde hij in 1992 voort op deze problematiek. Hij stelde daarin dat een koortsachtig voortconsumerend tweederde deel van de bevolking in de ontwikkelde landen is vervallen tot een apathisch conservatisme, zijn interesse in de publieke zaak heeft verloren, en met een boog om het probleem van de onderklasse heenloopt. Zulks met behoud van formele democratie. “De rustiggevende theologie van de laissez-faire en de op niets gebaseerde overtuiging dat het allemaal zo'n vaart niet zal lopen zijn daaraan debet”, aldus Galbraith.

In Nederland is deze zaak mogelijk minder toegespitst. Daar stemt de door Galbraith zo gewaardeerde verzorgingsstaat de potentiële onderklasse immers minder ontevreden met hulp van sociale uitkeringen die alleen in Scandinavië worden geëvenaard. Maar is zo'n enigszins gecamoufleerde 'armoedeval' op termijn houdbaar? “We moeten hier intelligent en genuanceerd naar kijken”, oordeelt Galbraith. “Er zijn mensen die het sociale systeem bedriegen en dat zal altijd zo zijn. Daarmee wordt zo'n systeem niet gediscrediteerd. We moeten ook bedenken dat niet-werken lange tijd een alom bewonderd privilege van de rijken was. Nu het armen betreft zou niet-werken ineens een maatschappelijk kwaad zijn.”

Dat neemt volgens de befaamde econoom natuurlijk niet weg dat we alles moeten doen om degenen die willen werken ook werk te bieden. Hoe? “Vooral door het voor werkgevers minder duur te maken om mensen in dienst te nemen”, zegt Galbraith. Dat kan zijns inziens op vele manieren. Door de belasting op arbeid te verminderen, door minder BTW te heffen om arbeidsintensief werk of door deeltijdwerk te stimuleren, bijvoorbeeld door verbetering van de positie van deeltijdwerkers. Ook de overheidsinzet van sociale fondsen en extra investeringen in infrastructuur zijn aan te bevelen. Niet het verlagen van het minimumloon want dat is 'schandelijk' en bederft de koopkracht.

Het risico dat zulke overheidsinterventies in de economie ten behoeve van de werklozen kunnen leiden tot meer inflatie, verontrust de Amerikaanse econoom niet echt. “Een beetje inflatie is te verkiezen boven de funeste gevolgen van de chronische werkloosheid”, stelt Galbraith. “We zijn misschien wat overdreven gefixeerd geraakt op inflatiebestrijding.”

In zijn boek 'The New Industrial State' (1967) maakte John Kenneth Galbraith zich ernstig zorgen over de grote greep van mega-ondernemingen op overheden. Die zorg lijkt zich inmiddels wat te hebben verplaatst naar de almacht van de internationale financiële markten. Is dat terecht? “Ik denk dat we het belang van die markten en van handelaars als Soros niet moeten overschatten”, aldus Galbraith. “Natuurlijk is de communicatie nu sterk verbeterd. Maar de wezenlijke situatie, dat wil zeggen de aanpassing van het financiële en economische leven van het ene land aan dat van andere landen is fundamenteel niet veranderd. Ik denk ook dat wij de gevolgen van de informatierevolutie wat overschatten. Het belangrijkste blijft onderscheid te maken tussen goede en slechte informatie en dat is ook altijd zo geweest. Misschien is het nu gemakkelijker om de juistheid van informatie te controleren. Maar je houdt net als vroeger dwaze en gevaarlijke mensen die informatie manipuleren of zich makkelijk laten manipuleren.”

Terwijl handels- en investeringsbarrières verdwijnen, worden bedrijven er wel van beschuldigd dat ze op cynische wijze overal ter wereld speuren naar goedkopere arbeidskracht, lage belastingstarieven en lakse milieuvoorschriften. Aan John Kenneth Galbraith zijn zulke verwijten niet besteed. “Ik ben sterk voor globalisering”, zegt hij. “Dat geeft groeiende economische verwevenheid. En er is altijd kapitaalbeweging naar lager betaalde arbeid. Dat herinnert er ons terecht aan dat de arbeid altijd probeert te ontsnappen aan de ontberingen van laag ontwikkelde economieën, dat mensen in armere landen ook mensen zijn, en dat we hun geen werk mogen misgunnen. Bovendien komen er in rijke landen steeds hoger ontwikkelde industrieën die steeds hoger opgeleide werknemers vragen. Wat ons alternatieven biedt voor traditionele industrieën die naar lage lonenlanden verdwijnen.”

Wat vindt de maestro tot slot van de in Europa zo fel omstreden Economische en Monetaire Unie en de gemeenschappelijke munt? Hij zucht vermoeid en zegt: “Laat ik me beperken tot dit: zo'n EMU krijg je alleen door er volop naar te blijven streven. Mij dunkt, als de Europeanen naar de eerste helft van deze eeuw kijken, hebben ze alle redenen en motieven om dat te doen.”

    • Ferry Versteeg