'Baas zijn van Europarlement is een droombaan'

De macht in Europa moet beter worden verdeeld, vindt de voorzitter van het Europese Parlement, KLAUS HÄNSCH (1938). Hij eist meer bevoegdheden maar mag bij de herziening van het Verdrag van Maastricht niet aan tafel zitten. Toch geeft hij niet op. “Regeringsleiders nemen mij absoluut serieus”. Bericht van een strijd aan de zijlijn.

DEN HAAG, 23 FEBR. “Ik heb een positie waar normale politici alleen maar van kunnen dromen. Ik bekleed de meest fascinerende functie in de internationale politiek.”

Aan het woord is niet de president van de Verenigde Staten, de secretaris-generaal van de NAVO of de baas van de VN, maar Klaus Hansch, voorzitter van het Europese Parlement. Hij zit aan met staatshoofden, premiers en leden van de Europese Commissie en heeft 626 parlementsleden onder zich. Wat wil je nog meer?

Macht, misschien? Inderdaad, zegt Hänsch, het Europees Parlement zou meer macht moeten hebben. En dat zal het ook krijgen, denkt hij. Klaus Hänsch was twee dagen in Nederland om met politici te praten over de voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie (IGC), de serie gesprekken die vanaf eind maart begint over de herziening van het Verdrag van Maastricht.

Tijdens die conferentie moeten de leden van de EU besluiten of zij het Europarlement meer willen laten zijn dan een club van opgewonden praters wier medezeggenschap beperkt blijft tot richtlijnen voor de Europese binnenmarkt. Hänsch mag - tot zijn ongenoegen - bij de herzieningsconferentie van 'Maastricht' niet aanschuiven, maar hij heeft wel al zijn eisen neergelegd: de besluitvorming in Europa moet eenvoudiger worden, doorzichtiger en democratischer.

De Europarlementariërs, onuitputtelijk strijdend voor erkenning, zijn blij met de socialist Hänsch. In tegenstelling tot zijn voorganger, de eveneens Duitse Egon Klepsch (CDU), heeft hij, in de zeventien maanden dat hij voorzitter is, niet op zijn stoel zitten wachten tot hij bevoegdheden krijgt aangereikt. Hänsch, Europarlementariër sinds 1979, wil de macht die het Europarlement heeft tot aan de laatste kruimel gebruiken en als het kan, verzint hij er zelf instrumenten bij. Zo stelde hij eind '94 voor om 'hearings' te houden waarin de leden van de nieuwe Europese Commissie zich moeten verantwoorden voor het Europarlement. Sinds 'Maastricht' heeft het Europarlement namelijk het recht om de samenstelling van een nieuw aangetreden Europese Commissie in zijn geheel goed- of af te keuren.

De voormalige Commissievoorzitter, Jacques Delors, vond de 'sollicitatiegesprekken' te ver gaan, vertelt Hänsch. 'U gaat dat niet doen, het is juridisch en politiek niet mogelijk', dreigde de Fransman. “Ik was een beetje geschokt”, zegt Hänsch “maar ik dacht: dat is zijn mening, ik heb een andere.” De 'hearings' kwamen er en Hänsch maakte - tot ontsteltenis van velen - na afloop de namen bekend van vijf commissarissen die een 'onvoldoende' hadden gehaald. “Het is goed om duidelijk te zijn”, vindt Hänsch. Zijn eerlijke manier van spreken, soms met wilde gebaren, en zijn ietwat verfrommeld ogende overhemd en jasje verraden dat hij een Europarlementariër is, geen staatshoofd.

Overdrijven is een risico, maar machtsmiddelen onvoldoende gebruiken is je eigen graf delven, zegt Hänsch. “Dan concluderen de regeringen dat het ook geen zin heeft om je bevoegdheden te geven.” De macht tussen Europarlement, Europese Commissie en Raad van Ministers moet beter worden verdeeld, vindt Hänsch. De Raad van Ministers, die de nationale belangen vertegenwoordigt, moet macht afstaan aan de Commissie en dat moet het Europarlement weer meer medezeggenschap opleveren.

Bovendien wil Hänsch dat overal waar nu al met meerderheid van stemmen wordt besloten en de nationale parlementen dus buiten spel staan, het Europarlement meebeslist. Maar Hänsch heeft het tij niet mee: Groot-Brittannië weigert categorisch iedere inlevering van veto-recht en de Franse president, Chirac, is ook geen voorstander van meer macht aan 'Brussel'. Uit het voorstel van de Franse regering voor de IGC, dat deze week uitlekte naar Le Figaro, blijkt ook dat Frankrijk liever de nationale parlementen wat machtiger maakt, dan het Europarlement. “Als politicus kun je je tijd niet kiezen”, zegt Hänsch. Maar moeilijkheden maken hem juist vechtlustig. “Als het moeilijk wordt, raak ik meer betrokken.”

Hänsch greep afgelopen zomer niet in toen de Europarlementariërs een vertoning maakten van het bezoek van de Franse president, Chirac, aan Straatsburg nadat deze de hervatting van de Franse kernproeven in de Stille Zuidzee had aangekondigd. De Europarlementariërs onthaalden het staatshoofd gekleed in anti-kernproeven t-shirts en zwaaiend met spandoeken. Hänsch: “Natuurlijk vond Chirac dat niet leuk. Maar ik heb hem meteen daarna uitgelegd dat het de plicht is van het Europese Parlement om over dit soort kwesties het debat te openen. Ik geloof dat hij het wel begreep.”

Maar het Europarlement gebruikt zijn macht zelden écht. In de Europarlementaire geschiedenis is hartstochtelijk dreigen om vervolgens door de knieën te gaan een rode draad. Vorig jaar december stemde het Europarlement bijvoorbeeld met een grote meerderheid voor de douane-unie van de EU met Turkije na maanden van dreigen met afkeuring omdat Turkije de mensenrechten nog schendt. Maar de druk op de Europarlementariërs uit de lidstaten bleek uiteindelijk te groot om het akkoord te torpederen. “Natuurlijk wordt er druk op ze uitgeoefend”, roept Hänsch. “Als het om de goedkeuring gaat van internationale verdragen is er altijd politieke druk. Heeft het Nederlandse parlement ooit een internationaal akkoord durven afkeuren?” Het Europarlement moet niet hakken met de botte bijl, maar wel omstandigheden beïnvloeden, zegt Hänsch. “Ik zoek het evenwicht tussen risico en kans. Wegens de druk die wij hebben uitgeoefend op Turkije zijn er van de 196 politieke gevangenen wel 130 vrijgelaten.”

Een groot probleem voor de Europarlementariërs is dat hun electoraat vergeet op ze te stemmen. In Nederland kwam bij de laatste Europese verkiezingen in 1994 slechts 35 procent van de kiezers opdagen. “Dat komt omdat men nog niet goed weet wat wij doen. Als we meer te doen krijgen, komen de kiezers vanzelf.”

Hänsch wordt “absoluut, ja absoluut” serieus genomen door de regeringsleiders van de EU-landen, zegt hij. “Het lijkt misschien zelfingenomen, maar het is ècht zo.” Neem Jacques Chirac. “Hij dacht dat wij de goedkeuring van de douane-unie met Turkije wel binnen twee weken rond zouden krijgen. Ik heb hem uitgelegd dat dat zo makkelijk niet gaat, dat het een lang en moeilijk proces zou worden. Toen zei hij: 'als u zegt dat het niet anders kan, moet ik dat accepteren.”'

Voor onenigheid met zijn eigen bondskanselier, Kohl, deinst Hänsch ook niet terug. In het idee van een kern-Europa dat twee jaar geleden door de buitenlandspecialisten van de CDU, Karl Lamers en Wolfgang Schaüble, werd gelanceerd en waar Kohl ook wel voor lijkt te voelen, ziet hij bijvoorbeeld niets. De gedachte van het zogeheten 'kern-Europa' is dat als niet alle EU-landen bereid zijn tot hechte Europese samenwerking, een klein clubje van wel bereidwillige landen vast vooruit gaat. Hänsch: “Je kunt geen Europese Raad hebben waar het ene moment wordt gezegd dat een besluit voor vijf leden geldt en het volgende voor twaalf leden.” In de Europese Commissie en het Europese Parlement zou de 'kerngroep' volgens Hänsch een chaos veroorzaken. “Als Kohl dat idee ondersteunt, zal ik het met hem oneens zijn. Ik ben de vertegenwoordiger van het Europese Parlement, niet van de bondskanselier.”

    • Daniela Hooghiemstra