Antiquarenbeurs A'dam verliest van buitenland

De Euopese Antiquarenbeurs is morgen van 11-18u geopend in het RAI Congrescentrum, Amsterdam.

AMSTERDAM, 23 FEBR. Op de Europese Antiquarenbeurs die gisteren voor de 17de keer opende, lijkt het zwaartepunt zich steeds meer te verplaatsen van oude manuscripten en incunabelen naar moderne Nederlandse literatuur en topografie. Zeventiende- en achttiende-eeuwse topstukken waarvoor internationale belangstelling wordt verwacht, worden de laatste jaren steeds vaker aangeboden op de grote buitenlandse beurzen, in Milaan, Parijs en Keulen, of op de volgende maand beginnende Tefaf in Maastricht. Ook de Amerikaanse beurzen beginnen een steeds geduchtere concurrentie voor Amsterdam te vormen. De organiserende Nederlandse Vereniging van Antiquaren heeft gemerkt dat steeds meer leden die duurder werk verhandelen door de lage dollarkoers de oversteek naar de Verenigde Staten wagen. Van de zestig leden die de Vereniging telt, is dit jaar nog maar de helft met een stand in de RAI aanwezig, wat het aantal standhouders nu maar boven de veertig brengt, tegen meer dan zestig in 1991.

Toch heerste er gisteren al meteen na de opening een uiterst geanimeerde stemming. De taferelen van enkele jaren geleden, toen er bij verschillende stands 'runners' opdoken die in opdracht van anonieme handelaren hun slag moesten slaan, behoren inmiddels tot het verleden. Maar de handel was volgens de meeste standhouders toch heel levendig, aanmerkelijk beter in ieder geval dan vorig jaar, toen er volgens velen een absoluut dieptepunt was in de belangstelling.

In de Amsterdamse RAI is voor de gemiddelde liefhebber nog altijd meer dan voldoende te zien en te kopen. Een rondgang over de beurs doet hem in enkele uren in de vreemdste studeerkamers belanden, het laat hem de gruwelijkste anatomische practica bijwonen en meedoen aan de meest meedogenloze strafexpedities. Zo biedt de Haarlemse antiquaar Bubb Kuyper voor tienduizend gulden een uit 1720 stammend boek aan over het 'Dwergentoneel', met 77 karikaturale prenten van lilliputters uit vele landen in de meeste uiteenlopende beroepen. Antiquariaat Bestebreurtje komt met het verslag (ƒ 3850,-) van de expedities (1772-1777) tegen de opstandige Surinamers onder leiding van de Schotse kapitein John G. Stedman, met gravures naar tekeningen van de legeraanvoerder. In dezelfde stand ligt een kleurig album met reusachtige tatoeages uit Nieuw Zeeland en Polynesie (ƒ 1850,-). En twee meter verder biedt antiquariaat Brabant enkele vroeg achttiende-eeuwse beschrijvingen van rariteitenkabinetten. De mooiste is wel die van de anatoom Frederic Ruysch (ƒ 5500,-), die zijn uitputtende beschrijving van menselijke lichaamsdelen liet illustreren met de meest macabere stillevens van geraamtes en organen.

Bij de antiquaren die zich op Nederlandse literatuur specialiseren, richt de belangstelling zich nog altijd op een betrekkelijk klein aantal grote namen: Couperus, Boutens, Bordewijk, Komrij, Buch, Hermans en Reve. Vooral het overlijden van W.F. Hermans en de veiling van een deel van zijn boekenbezit heeft ervoor gezorgd dat de handel op dit moment weer goed in de Hermansiana zit. Aioloz brengt een aparte catalogus uit met 250 boeken uit het bezit van de schrijver, die voor bijna iedere beurs te betalen zijn. Voor enkele tientjes kun je zo eigenaar worden van Hermans' exemplaar van Religion and the Rise of Capitalism van R.H. Tawney uit 1948, waarin de ijverige lezer vele tientallen aantekeningen heeft achtergelaten.

Het interessantst bij Aioloz is wellicht het ontwerp van De tranen der acacia's. Hieruit blijkt dat Hermans al voor hij aan de publicatie van de roman in het tijdschrift Criterium begon, duidelijk moet hebben gezien hoe het verhaal er uiteindelijk uit zou gaan zien. Halverwege het bloknootvelletje, dat enkele duizenden guldens moet opbrengen, noteert hij in zijn hakige handschrift: 'Aankomst bij zijn vader. De tranen der acacia's. Maakt kennis met balletmeisje.'

Behalve Hermans is de honderd jaar geleden geboren Paul van Ostaijen dit jaar een gevierde auteur op de beurs. Antiquariaat Schuhmacher heeft onder meer exemplaren van zijn debuut Music Hall uit 1916 in de vitrine, uitgegeven in eigen beheer, de bundel Het Sienjaal die in 1918 in beslag werd genomen omdat het een flamingant geschrift zou zijn, en twee exemplaren van Bezette Stad.

Bij de stand van De Slegte trekt het manuscript van Gerrit Komrij's cyclus Capriccio veel bekijks (ƒ 29.000). De cyclus, in 1978 verschenen, wordt nog steeds gezien als een van de beste voortbrengselen van de dichter. Uit het op 'kladblokpapier' van de Hema geschreven manuscript blijkt dat Komrij aan de meeste gedichten nog flink heeft geschaafd. In een apart bijgevoegde verklaring uit 1996 schrijft hij dat hij niet meer wist dat er nog zoveel 'hartebloed' door het marmer van de solide regels is gekropen.

Merkwaardig is dat er, afgaande op het aanbod in Amsterdam, de afgelopen twintig jaar vrijwel geen klassieke schrijvers bij zijn gekomen. Van nieuwkomers als Van der Heijden, Zwagerman of Kellendonk is er nog altijd nauwelijks materiaal. Zelfs de meervoudig bekroonde Harry Mulisch is antiquarisch nog steeds zo goed als non-existent. Piet van Winden van Aioloz spreekt van een raadsel. “Zijn vuistdikke boeken gaan in de boekwinkel als bestsellers over de toonbank, maar hij heeft geen verzamelaars. Je kunt elke week wel een eerste druk van De Avonden verkopen, maar er is maar één keer iemand bij me geweest die vroeg naar Tussen hamer en aambeeld.”

    • Reinjan Mulder