Planten in het nat

De vegetatie van Nederland, Deel 2: Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden. Door J.H.J. Schaminée, E.J. Weeda & V. Westhoff. 360 pagina's, geïll. Uitgave Opulus Press, Leiderdorp, tel. 071-589 0168. Prijs ƒ 90,- plus ƒ 7,50 porto. Intekenprijs deel 1 t/m 5: ƒ 450,- incl. porto en BTW. ISBN 91 8871 604 X

Kranswieren vormen evolutionair gezien een zeer oude groep van planten. In helder water vormen ze een onderwaterwoud, waarin jonge vissen kunnen schuilen. Tot voor kort kwamen ze in sloten en plassen algemeen voor. Chara-begroeiingen bijvoorbeeld werden in de omgeving van Nieuwkoop wel geoogst om de akkers te bekalken. De kranswieren onttrokken zelfs zoveel kalk aan het water, dat aan drinkwater uit de Loosdrechtse Plassen extra kalk moest worden toegevoegd om corrosie van het leidingnet tegen te gaan. Dat was in 1942.

Twintig jaar later was hier vrijwel niets meer van over. Het water in de plassen was zo troebel geworden, dat men de laatste kranswieren niet eens meer kon zien, maar ze alleen nog met een sleepanker of bodemhapper kon opvissen. Van de acht kranswierenassociaties die Nederland rijk was is er één vrijwel verdwenen, een andere nog slechts versnipperd aanwezig, terwijl vier zeer zeldzaam zijn geworden. Oorzaken zijn de watervervuiling, de daarmee samenhangende toegenomen troebelheid van het water en de grotere invloed van het rivierwater in veen- en kleipolders.

Dit alles valt te lezen in het vijfdelige standaardwerk de Vegetatie van Nederland, een overzicht van onze merendeels sterk verarmde plantengemeenschappen. Om de situatie vroeger en nu te kunnen vergelijken hebben de schrijvers ruim 120.000 vegetatieopnamen uit de periode 1930-1995 verwerkt. Het merendeel van dit monnikenwerk is gedaan bij het DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen.

In het eerste, tamelijk technische deel van de serie, dat vorig najaar verscheen, werden de grondslagen, methoden en toepassingen van de plantensociologie behandeld. In de volgende, beter leesbare delen komen afzonderlijke plantengemeenschappen aan bod.

Zojuist verscheen het tweede deel, gewijd aan de planten van open water, moerassen en natte heiden. Het is geen leesboek, maar een naslagwerk, dat opent met de eendekroos-klasse (Lemnetea minoris) om bijna 300 pagina's later te besluiten met de Oxycocco-Sphagnetea, de klasse der hoogveenbulten en natte heiden.

Bij elke groep worden, naast de overvloedige wetenschappelijke informatie, korte aanwijzingen gegeven voor het natuurbeheer. Er wordt verwezen naar plaatsen waar herstelmaatregelen voor dit type plantengroei al met succes in praktijk zijn gebracht. Zo wordt de terreinbeheerder die extra zijn best wil doen voor bijvoorbeeld de Teer vederkruidassociatie verwezen naar de Broekse Wielen of naar De Banen bij Nederweert. Teer vederkruid hoort thuis in snelstromende beken. Door de hoge stroomsnelheid wordt de sliertige plantenmassa nooit te dicht. Aan het schoonschrapen van de beekbodem hebben deze zeldzame planten een hekel, hun wortels zijn daar niet tegen bestand. In agrarisch gebied is het water sowieso te fosfaatrijk en te hard geworden om nog op terugkeer van teer vederkruid te hopen, maar in een pas uitgegraven poeltje naast een heideterrein in de Achterhoek doken deze zeldzame planten zomaar vanzelf weer op.

In totaal passeren meer of minder bekende 80 plantengemeenschappen de revue. Er komen alledaagse rietoevers ter spraken, maar ook bijvoorbeeld de brongemeenschap in het Fazantenbos bij Middachten, met zijn karakteristieke kussentjes mos en bijzondere plantjes zoals paarbladig goudveil. Het lot van onze water- en moerasplanten is - u raadt het al - vooral afhankelijk van de waterkwaliteit. Veel vegetatietypen zijn in de loop van deze eeuw sterk achteruit gegaan door vermesting van het oppervlaktewater en verdroging. Afgezien daarvan is ook het beschikbare areaal natuurgebied steeds kleiner geworden. Van het veelgeprezen zeggetrilveen zijn in ons hele land nog maar enkele honderden vierkante meters over.

De laatste jaren is er volgens de auteurs gelukkig ook veel goeds te melden. Lokaal en regionaal zijn allerlei herstelprojecten aangepakt. Zeldzaam geworden plantengemeenschappen duiken weer op. Door het opschonen van vennen en de toevoer van gebufferd en dus minder zuur water zijn de karakteristieke oeverkruidgemeenschappen, die tot de meest bedreigde plantengemeenschappen in ons land behoren, weer toegenomen. Het gaat merendeels om lage, rozetvormige planten, echte pioniers, die eraan gewend zijn, dat de oever 's zomers droogvalt.

Spectaculair was de grote schoonmaak in 1985-86 van het Beuven bij Eindhoven, het grootste ven in ons land. Binnen de kortste keren keerden allerlei bijzondere oeverplanten hier terug. Ook in laagveenplassen is de waterkwaliteit verbeterd, nu waterzuiveringsinstallaties fosfaten, die voor overbemesting en algenbloei zorgden, uit het afvalwater halen. Sindsdien kun je in de laagveenplassen ook weer kranswieren zien.

    • Marion de Boo