Muziekpsychologie

Altijd leuk om op een vakgebied waar nooit in de wetenschapsbijlage over geschreven wordt - het terrein van de muziektheorie - een artikel tegen te komen, zoals op 25 januari 1996.

De groteske uitspraken van de heren muziekpsychologen Povel en Van Egmond doen me ernstig twijfelen aan het wetenschappelijk gehalte van hun werk alsmede hun kennis omtrent de stand van zaken.

Zo is de uitspraak dat muziek een beperkt aantal elementen heeft, 12 verschillende toonhoogtes, nogal misleidend. Natuurlijk is toonhoogte de belangrijkste parameter, maar net zo belangrijk is ritme. Ritme is weliswaar geen specifiek muzikaal verschijnsel (Men denke aan hartslag, zonsop- en ondergang of nog langere cyclische bewegingen in de tijd, zoals het wisselen der seizoenen) maar behoort wel tot de primaire componenten. Cruciaal is dat toonhoogte zonder ritme en omgekeerd geen muzikale betekenis heeft. Daarnaast spelen ook klankkleur en volume een rol.

Merkwaardig ook om het stukje Westside Story (bedoeld wordt het bekende nummer America) in termen van triolen in een vierkwartsmaat beschreven te zien. Feitelijk gaat het om de afwisseling van het ritme 1-2-3, 1-2-3, 1-2, 1-2, 1-2, waarbij de 1 steeds het maataccent is. Kortom, we hebben hier te maken met de afwisseling van een zesachten- met een driekwartsmaat.

Nog merkwaardiger is het om de muziektheorie als wetenschap als 'erg ingewikkeld' beschreven te zien, naar aanleiding van het werk van Karl Riemann (bedoeld wordt Hugo Riemann). Alsof dat bij een complex cultureel verschijnsel als muziek niet voor de hand zou liggen. Het werk van Hugo Riemann (1849-1919) heeft overigens een beperkte waarde aangezien de huidige muziektheorie vooral gebaseerd is op theoretisch werk van Heinrich Schenker (1868-1935). Een belangrijk Amerikaanse bijdrage in deze traditie is A Generative Theory of Tonal Music van Lehrdal en Jackendoff (1983).

Tot slot lijken de constateringen omtrent het muzikaal geheugen niet gehinderd door enig besef van de enorme verschillen in muzikale aanleg die men onder mensen vindt. Variërend van toondoof (d.w.z. geen aangereikte toonhoogte kunnen nazingen) tot het vermogen een complex pianostuk na eenmalige beluistering te kunnen reproduceren (zoals dat bekend is van componisten als Prokofjew en Sjostakovitsch) ligt een wereld van varianten in muzikale aanleg en geheugen. Appreciatie van muziek als eenzijdig door leerprocessen bepaald getuigt van een mate van 'Behaviorism', zoals dat na Chomsky toch eigenlijk niet meer mogelijk is.

    • Theo Verbey