Luctor et submergo

OUDELANDE. Met de kracht van een explosie sloeg het water die fatale nacht van 31 januari 1953 een breed gat in de dijk bij een boerderij in Oudelande, een dorpje in Zuid-Beveland. De indertijd twintigjarige J. Minderhoud en zijn vader waren door de dijkbewaking gewaarschuwd en liepen net naar de stallen om de koeien los te maken. De waterval kwakte hen terug tegen de gevel van het woonhuis. Na een worsteling onder water bereikten ze met andere familieleden de zolder, die droog was gebleven. Pas later, toen ze al in het dorp waren, is het hele huis in de stroom meegevoerd.

Terwijl een schrale Noordooster storm aan het nieuw gebouwde huis rammelt, komen de herinneringen weer boven.

Nu dreigt de boerderij opnieuw onder te lopen, maar dan in opdracht van Rijkswaterstaat. De regering overweegt om vijf stukjes Zeeland aan de zee terug te geven, als rustplaats voor vogels, schelpen en wat er verder nog groeit en kruipt. Het is bedoeld als compensatie voor de slikken en schorren die zouden verdwijnen door het uitgraven van de Westerschelde.

In de 43 jaar na de ramp is de strijd tegen het water gewonnen en zijn de laatste stukjes Nederland gekoloniseerd door steen en asfalt. De vroegere strijd tegen de natuur is omgeslagen naar een strijd voor de natuur. Luctor et submergo. Het landschap van strakke, rechte, dijken mag wel eens door een spontaan kweldertje worden verlucht. De nieuwe strookjes vormen het milieugeweten. Ze zijn zoenoffers aan de geschonden aarde die misschien ooit wraak zal nemen.

Maar voor plattelanders zijn natuurbeschermers stedelingen die geen idee hebben van de natuur. Hoofdschuddend bezien ze de verrichtingen van deskundigen die de natuur tot spontaniteit willen dwingen.

Niemand in de naburige dorpjes Ellewoutsdijk en Oudelande heeft enig begrip voor de geregisseerde dijkdoorbraak. Niet uit angst voor herhaling van de watersnood, want Rijkswaterstaat zal de oude binnendijken op deltahoogte brengen. “Ik voel me veilig”, zegt de nu 63-jarige Minderhoud. Maar hij begrijpt niet waar de creatie van extra natuur voor nodig is. Al dat werk aan die Deltadijk, die honderden mensen met zandemmertjes na de overstroming zijn voor niets geweest. De Minderhouds hebben er tientallen jaren over gedaan om de door de overstroming verzilte grond weer vruchtbaar te maken.

De dertigjarige zoon, Gert-Jan, is beledigd door een opmerking in het rapport van de Heidemij dat de polder “geen actuele natuurwaarden” kent. Scholeksters broeden op zijn land en met zijn landbouwmachines maakt hij er een boog om heen. “Als je een nest kapot rijdt, blijft de moedervogel dagenlang piepend boven de resten fladderen en dat wil je voorkomen”, zegt hij. Verderop is een “weel”, een plas die door een vroegere dijkdoorbraak is ontstaan. Een naburige rietkraag herbergt veel vogels. Zelfs op een gure, winterse dag spurten hazen weg en vliegen patrijzen op voor wandelaars. Voor de dijk ligt een uitgestrekt begrast schor, waar kolonies van meeuwen en steltlopers in de noordoostelijke vrieswind naar voedsel zoeken.

De Vereniging Natuurmonumenten kent vader Minderhoud alleen van prikkeldraad en bordjes “Verboden toegang, art. 461 wetboek van strafrecht”. Elke zondag placht hij een wandeling te maken, heen over de dijk en terug over het schor. Twee keer per jaar oogstten lokale bewoners er zeekraal en lamsoor. Sinds Natuurmonumenten bezit van het schor heeft genomen, mag dat allemaal niet meer. Toch komen er meer mensen dan ooit op het schor, al is het onder begeleiding van een deskundige. Soms spoelen er ook verbodsbordjes van de overkant van de Westerschelde aan. Weten die honderdduizenden leden van Natuurmonumenten dat wel, vraagt Minderhoud zich af. Natuurlijk weten ze dat, want zij betalen die 35 gulden per jaar om de natuur op de stad terug te veroveren.

Via een kennis hoorden ze dat hun boerderij onder water moest worden gezet. Eerst geloofden ze het niet. Later kregen ze het mooi uitgevoerde rapport van de Heidemij met gedetailleerde, gekleurde kaartjes in handen. Was dat die “natuurontwikkeling” waar hun boerderij twee jaar eerder voor was voorbestemd? Een inspraakprocedure is gestart.

Uiteraard zal ook openbaarheid de Minderhouds niet kunnen overhalen om hun boerderij op te geven. Ze zijn 'Nimby's' tegen de natuur. Boeren zijn van rentmeesters tot industriëlen geworden en daarmee vijanden van de milieubeweging. Zij willen uitbaten wat de stedeling wil laten uitgroeien. Natuurherstel betekent het einde van het platteland. Dat moet juist een groot stadspark worden, een rein Arcadië.

Toen de boer zijn klompen uittrok en in een combine stapte, verloor hij zijn warme plekje in het hart van de stadsbewoner. Tijmen uit de kinderverhalen moet plaats maken voor de kluut uit de natuurfilms. Toch is het vermetel van de overheid om twee vaderlandse mythes tegelijk aan te pakken: die van de voortploegende boer en die van de strijd tegen het water. Dat zal waarschijnlijk niet lukken.

De Minderhouds behoren, als akkerbouwers, niet tot het bruine front van varkensmesters die het land en het drinkwater vergiftigen. Ze doen niet aan monocultuur maar wisselen de oogsten af. Op de keukentafel van hun boerderij ontvouwen ze de waterkaart van de Westerschelde. Vader Minderhoud heeft de zee altijd gevolgd uit ontzag van vroeger en uit belangstelling omdat hij ooit de scheepvaart in wilde gaan. Hij raadpleegt de getijdentabel. Hij zag vogelrustplaatsen verdwijnen voor zandwinning. Wat geamuseerd beziet hij de vergeefse pogingen van de natuurbeheerders om verderop een nieuwe schor te creëren. Ondanks een strekdam wordt het zand door de sterke stroming weggezogen. Bulldozers met dikke banden reden over het terrein en verstoorden te vogels. Palen werden uitgezet. Het mocht niet baten. Ondertussen breidt het schor voor zijn stuk dijk zich geheel vanzelf uit, zonder helpende grijparm of bulldozer. “Dat zand is levendig spul”, zegt vader Minderhoud. “Binnen een paar getijden kan het zich vijf meter verplaatsen”. Ze zullen nooit meer meedoen aan “natuurontwikkeling”, zo nemen ze zich voor. De overheid, eerst stevig als een basalten dijk, is nu zo vluchtig als zand.

    • Maarten Huygen