Kwestie werd afgeschermd voor rest van kabinet; Luns monopoliseerde Nieuw-Guinea

Kon de Nederlandse regering eind jaren vijftig rekenen op steun van de Verenigde Staten voor haar koloniale Nieuw-Guineabeleid? Minister Luns zei van wel, en maakte zich daarmee mogelijk schuldig aan misleiding, betoogde J.L. Heldring (9 januari). De historicus Albert E. Kersten nam het voor Luns op: Nieuw-Guinea was niet diens 'privé-domein'. Lambert Giebels en J.L.R. Huydecoper zijn het niet met hem eens.

Het artikel 'Nieuw-Guinea was geen privé-domein van Luns' van Albert E. Kersten, in NRC HANDELSBLAD van 8 februari, prikkelt tot commentaar. Wat hooghartig verwijt Kersten “geïnteresseerden, journalisten en columnisten” dat deze geen notie nemen van wat historici over de Indonesische kwestie aan informatie hebben aangedragen. Ik ben geneigd de bijzondere hoogleraar in de diplomatieke geschiedenis te adviseren zijn eigen bronnen wat te verruimen en om inzake de Nieuw-Guineakwestie niet, zoals hij aanbeveelt, te blijven hangen bij wat P.B.R. de Beus erover heeft geschreven.

Bij de voorbereiding van mijn Beel-biografie frappeerde het mij dat Beel als minister van Binnenlandse Zaken in het derde kabinet-Drees (1952-1956) in de ministerraad nauwelijks zijn mond opendeed als de Nieuw-Guineakwestie aan de orde was, terwijl hij daar in voorgaande jaren, onder meer als landvoogd in Indonesië, nauw bij betrokken was geweest. In een interview met Luns in Brussel heb ik hem onder meer gevraagd hoe dit te verklaren was. Luns verzekerde, niet zonder enig aplomb, dat “vader Drees” en de rest van het kabinet, waaronder ook Beel, Indonesië geheel aan zijn zorgen overlieten - met inbegrip van de NieuwGuineakwestie. De andere minister van Buitenlandse Zaken, Beyen, deed Europa. Dat gaf me een eerste indicatie dat Luns het Nieuw-Guineabeleid nogal had gemonopoliseerd. Een andere aanwijzing hiervoor vond ik in de memoires van Zijlstra van 1993, Per slot van rekening. Op pagina 158 schrijft hij: “Over het befaamde briefje van Dulles (...), wil ik zeggen: ik zou het graag zien.” Kennelijk is deze medeminister van Luns er na al die jaren nog niet uit.

In het interim-kabinet-Beel (1958-1959) is de Nieuw-Guineakwestie, waarover een open militair conflict met Indonesië dreigde, enkele malen aan de orde geweest. Luns heeft in een van de eerste ministerraadsvergaderingen (die van 9 januari 1959) getracht de kwestie voor de duur van het kabinet op sterk water te zetten met de constatering: “Het standpunt van het kabinet is dat Nederland niet bereid is tot en voorbereid op een grote oorlog over Nieuw-Guinea, maar dat hieromtrent toezeggingen, onder andere van de Verenigde Staten, zijn ontvangen.” Het laatste sloeg natuurlijk op genoemd 'briefje' van de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Foster Dulles, met de toezegging dat bij een gewapend conflict met Indonesië Amerika Nederland te hulp zou komen. Blijkbaar bestond bij deze en gene collega enige twijfel over de betekenis van Luns' verklaring. In de ministerraad van 23 januari 1959 werd hem nadere uitleg gevraagd. Geduldig legde de minister van Buitenlandse Zaken zijn collega's uit waarom de garantie die hij van Dulles had gekregen een onderhandse was en niet een officiële zwart-op-wit van de Amerikaanse regering; anders zou het Congres er in gekend moeten worden, maakte Luns duidelijk. Dit soort toezeggingen hing je nu eenmaal niet aan de grote klok; met de Amerikaanse garanties aan Israel was het niet anders gegaan, voegde hij eraan toe.

De twijfels bleven. Zij werden gevoed door minister van Defensie Staf. Deze meldde het kabinet dat verzoeken aan zijn Amerikaanse collega om militair materieel ten behoeve van de verdediging van Nieuw-Guinea almaar op de lange baan werden geschoven, terwijl naar hij wist Indonesië met zijn militaire bestellingen in Amerika geen enkele moeite had. Ook Beel begon zich blijkbaar ongerust te maken. Begin april peinsde hij in de ministerraad hardop: Als Amerika zo terughoudend was met wapenleveranties, hoe zat het dan met de 'zogenaamde toezeggingen'.

Op het moment dat Beel zo openhartig zijn gedachten liet gaan, was Luns er niet om er op in te gaan. Deze was naar een NAVO-ministersconferentie en had er kennelijk een paar weken vakantie aan vastgeknoopt. Op 1 mei stelde de weergekeerde minister van Buitenlandse Zaken het kabinet gerust. Er was niets aan de hand met die wapenleveranties, verzekerde Luns. Deze zouden via een wat andere procedure verlopen dan Staf had gedacht. De minister van Defensie moest maar gauw zijn verlanglijstje opstellen, dan zou Luns verder zorgen dat het in orde kwam. Inmiddels hadden Kamerverkiezingen plaatsgehad en was het kabinet demissionair. Daarom werd besloten de hele kwestie Nieuw-Guinea over te laten aan het nieuwe kabinet-De Quay dat in de maak was. De minister-president van dit kabinet is zich, als bekend, er zelf eens mee gaan bemoeien - tot heil van het land, kunnen we achteraf vaststellen.

Dulles heeft Luns op enigerlei wijze te kennen gegeven, zoals Kersten uiteenzet, dat de regering-Eisenhower bij een gewapende overval op Nieuw-Guinea door Indonesië dit land tot de orde zou roepen. De regering-Kennedy heeft deze onderhandse toezegging, na een bezoek van Robert Kennedy aan Indonesië en Nederland, niet herhaald. Maar daar gaat het niet (meer) om. Uit gegevens als bovenstaand, ontleend aan wat Luns zelf zegt en aan de notulen van de ministerraad, moet worden afgeleid dat Luns, anders dan Kersten beweert, de Nieuw-Guineakwestie jarenlang tot zijn 'privé-domein' heeft gerekend. Hem moet verweten worden dat hij de verantwoordelijkheid voor deze kwestie, die zo cruciaal was voor het buitenlandse beleid, heeft afgeschermd van de collectieve verantwoordelijkheid van de kabinetten waarin hij minister van Buitenlandse Zaken was. Drees, Beel en ook ministers als Zijlstra moet worden verweten dat zij de minister zijn gang hebben laten gaan.

Kersten wil naar zijn zeggen voorkomen dat het ooit nog eens zou komen tot 'een nationaal debat' over de Nieuw-Guineakwestie. Ik vind dat er alle reden is te debatteren over de vraag hoe een wezenlijk stuk buitenlands beleid, dat grote economische belangen van Nederland in Indonesië verloren heeft doen gaan, waardoor tienduizenden die in Indië hun wortels hadden hun geboorteland verloren en dat tot en met Pronk een hypotheek legt op onze betrekkingen met Indonesië, door één minister kon worden gemonopoliseerd. Het debat kan ons wellicht in de toekomst van monopoliserende ministers vrijwaren.

    • Lambert J. Giebels