Kapper wordt Knipsalon, Hair Shop, Coiffurerie, Knip in of Knippetiek; Een aai over je bol

Een stoel, een spiegel en een schaar. Heeft een kapper meer nodig? Ja. De moderne kapper heeft een design-interieur, een of twee merken waar hij bij zweert en een doordachte benadering van zijn klant. “Elke kapper is ook een beetje haptonoom.”

Midden in Bobby's staat een oranje pilaar. Daaromheen is als een paddestoel het plafond gedrapeerd. De kapsters zijn gekleed in korte truitjes en strakke broeken en steken rustig een sigaret op tijdens het knippen. Bij de deur ligt hond Roy (13) van eigenaar Marcel Klijn (33). Klanten die hij aardig vindt, komt hij bepotelen. Uit de luidsprekers knalt Aretha Franklin. Achter de kassa kijkt een ernstig verveeld meisje je afwachtend aan.

Bobby's is geen kapper maar een 'Haarstudio'. De kapper lijkt op zijn retour: het telefoonboek staat vol Knipsalons, Hair Shops, Coiffureries, Knip ins, Hairstylists, Knippetieks, zelfs 'Haarwerken'. Deze variëteit komt ook tot uitdrukking in de interieurs. Veel hedendaagse kapsalons zien eruit als een leescafé of alternatieve galerie. 'Haarfijn' in het Utrechtse winkelcentrum Hoog Catharijne heeft als eyecatcher een knotwilg in de etalage gezet. De keten Kinki Kappers verkoopt kaartjes voor 'Boom Boomfeesten' in de Westergasfabriek in Amsterdam.

Bij Bobby's zitten de klanten in fauteuils op wieltjes voor de spiegels. Meisjes nemen hun vriendje of een paar vriendinnen mee, die zich tijdens het knippen verpozen op een oude leren bank. “Mensen moeten bij ons het gevoel hebben dat ze naar een café gaan waar ze geknipt kunnen worden”, zegt Marcel Klijn. “Ze kunnen hier over van alles praten. Alleen met hun problemen moeten ze niet aankomen. Dat kappen wij af.” De inrichting van zijn salon, bedacht door ontwerper Jelle Hekstra die ook het interieur van het trendy café Zeezicht verzorgt, dient om klanten te schiften. “Het echte Utrechtse publiek komt hier niet binnen. Dat moet ook niet: mijn klanten lopen door als hier vijf man in trainingspak met een pitbull op de bank zitten.”

De Bussumse kapper Stef Beek (32) opende acht maanden geleden zijn eerste filiaal in 'Het Arsenaal', het winkelcentrum van de meubelontwerper Jan des Bouvrie in Naarden. Bij de entrée van zijn 'Hairgallery Sebastian' staat een replica in badpak van Gill, een concurrent van Marilyn Monroe uit de jaren vijftig. Tegenover haar in de etalage prijkt een ouderwetse Franse 'klemmenpermanentmachine'.

De ruimte heeft de vorm van een gewelf. Aan de witgesausde muren hangen Miles Davis, Keith Haring en Jeanne Moreau. In het midden staat een lange kaptafel van kersehout, een ontwerp 'van Jan'. De klanten kunnen bladeren in Man, Elle, Vogue, Dutch en Strictly, een Amsterdams 'ultra-stijl magazine' voor twintigers. Behalve met een 'stukje eraf' kunnen ze dankzij de nieuwste haarverlengingstechnieken de gallery ook verlaten met een 'stukje erbij'. Klanten die moeten wachten, kunnen een buzzer meekrijgen die waarschuwt als de tijd daar is.

Stef Beek ziet de investeringen in zijn interieur als een vorm van zelfontplooiing. “Je bent creatief, dat moet je wel zijn als je met haar bezig bent.” De exclusiviteit van zijn zaak komt volgens hem ook tot uiting in een hoger tarief (wassen en knippen: ƒ 55 voor heren, ƒ 67,50 voor dames) en meer aandacht voor de klant. “Eventueel geef ik een hoofdhuidmassage. En er is tijd voor een wat dieper gesprek. Het is de bedoeling dat de klant niet alleen met een mooier uiterlijk, maar ook met een mooier innerlijk naar buiten gaat. Ik ben vaak met peptalk bezig. Elke kapper is toch ook een beetje haptonoom, of psycholoog.”

De Hairgallery knipt zowel mannen als vrouwen. Dit type 'gemengde salons' wordt in Nederland het meest bezocht. Maar al frequenteren ze dezelfde kapper, mannen en vrouwen gedragen zich verschillend, zo blijkt uit een onderzoek naar 'de consumentenbeleving rondom haarverzorging' van Bureau Ferro. Eenenzeventig procent van de vrouwen stelt advies over de coupe op prijs, zestig procent van de mannen wil daar niets van weten. Tweeënveertig procent van de vrouwen koopt weleens een shampoo, gel of haarlak bij de kapper, tachtig procent van de mannen doet dat nooit. Over de 'tactiele beleving' (“Ervaart u het als plezierig en ontspannend als een kapper met uw haar bezig is?”) zijn vrouwen tevredener dan mannen. Van de ontevreden mannen die naar een reden werd gevraagd, gaf eenderde te kennen het kappersbezoek als noodzakelijk kwaad te zien, terwijl een kwart “niet houdt van gedoe met zijn haar”.

Nederlanders zijn hun kapper zeer trouw, leert hetzelfde onderzoek. Negentig procent van de kapperbezoekers gaat altijd naar dezelfde salon. Eenderde doet dat al langer dan tien jaar, vijf procent zelfs langer dan 30 jaar. Motieven: het is een goede kapper, het is dichtbij, het is een gewoonte. Van de vaste bezoekers wordt de meerderheid altijd door dezelfde kapper geknipt. Een kwart van de vrouwen en 30 procent van de mannen stelt het op prijs om door de eigenaar te worden geholpen. Alleen jongeren zijn nog geneigd van kapper te wisselen.

Als gevolg van de 'kappertrouw' hebben beginnende kappers het moeilijk. Om klanten weg te lokken bij andere salons zijn ze bijna gedwongen iets bijzonders van hun zaak te maken. Na veertien jaar in kapsalons gewerkt te hebben, begon Marion Kempkes (34) twee jaar geleden haar eenmanszaak '7 Hoofdzonden' in de Amsterdamse Pijp. Ze vond dat ze in andere kapsalons te snel moest werken. “Een half uur per klant en dan hup eruit. Ik was nooit tevreden.” Nu neemt ze een uur de tijd en hanteert daarvoor een vast tarief van ƒ 65.

In haar huiskamerachtige winkel klinkt zachte orgelmuziek. Tussen de Elegance en de Elle Wonen liggen ook de Onkruid en de Bres. Aan de muur hangt één levensgrote Louis XV-spiegel, beschadigd en verweerd. Ernaast staat op de planken vloer een grote smeedijzeren kandelaar (“uit een Antwerpse kerk die afgebroken is”). De drie houten stoelen met oud-roze bekleding zijn kappersstoelen van de Amsterdamse school uit de jaren twintig, op de kop getikt in een rommelwinkel. Achterin de zaak staat een enorme 'apothekerskast' met 35 laden. Voor het raam hangt, de armen gespreid, een witte Japanse kimono die de aandacht van voorbijgangers moet trekken.

Kempkes maakt geen reclame maar geeft vijf gulden korting aan mensen die een nieuwe klant werven. “Sinds een half jaar knip ik het Concertgebouworkest een beetje. Ik heb al zeven violistes en een harpiste. En ik krijg nu ook hun mannen, neefjes en nichtjes.” Verder knipt ze wat mensen in het onderwijs, een paar verplegers, Ivo Niehe, advocaten, rechters, een toneelspeler die moet sparen voor het kappersbezoek en een marktkoopman. “Die is vaak bij Carels, het café op hoek, en dan hebben ze het over mijn zaak. 'O ja, dat is salon haartje voor haartje', zeggen ze dan. Zo noemen ze mij omdat ik zo secuur ben.”

Aan geïnteresseerde klanten vertelt Kempkes alles over de verzorging van haar. Ze propageert het borstelen. “Het maakt je haar glanzend omdat je het haarvet van a naar b smeert. Je haalt er stof, vuil, vet en losse haren uit. Je activeert de talgklieren die afvalstoffen verwijderen. Je voelt het tintelen, het voelt fijn.” Ze haalt een ouderwets dik boek tevoorschijn: Handboek voor dames- en herenkappers, en toont een illustratie van de ideale borstelhaar. “Goede borstels hebben varkensharen. Die hebben een v-tje bovenop: de bles. Als er een mensenhaar aankomt gaat de bles een beetje open, zodat de haar erdoorheen getrokken wordt. Daar gaat zo'n haar van glanzen.” Een goede borstel is “een stuk hardhout dat niet splijt, brokkelt of splintert. Daar doe je je hele leven mee”.

Kempkes werkt alleen en kan doen wat ze wil. Stef Beek en Marcel Klijn hebben moeite personeel te vinden dat past bij hun zaak. “Het moeten mensen zijn die klanten bij de hand nemen, die een stuk zelfvertrouwen geven”, zegt Beek. “Kijk, als een kind verdriet heeft, geef je het een aai over de bol. Die aai over de bol zoeken mensen nog steeds. Om die te kunnen geven moet je een bepaalde persoonlijkheid, een bepaald karakter hebben.” De meeste kapsters hebben dat niet, vindt ook Beeks medewerkster Monique. Zij omschrijft de gemiddelde kapster als “gepermanent, te trendy gekleed, te veel make-up.”

Marcel Klijn wil kappers die snel kunnen inschatten wat de klanten wil en een goed gevoel hebben voor trends. “Je kunt het beste personeel hebben dat niet getrouwd is en ervan houdt om uit te gaan. En je moet ze jong krijgen, 16, 17, om ze nog een beetje te kunnen kneden.” Klijns kappers krijgen bijna volledige vrijheid (“voor mijn part knippen ze hun klanten in hun blootje terwijl ze op hun hoofd staan”), als de klanten maar terugkomen. Maar er zijn grenzen. “De kappers mogen roken bij de klant, maar ik wil niet dat een leerlingkapster met een peuk in haar mond de zaak loopt te vegen.”

Zelfs de shampoo's waarmee hij wast zijn voor de identiteit van een kapper van belang. Keus is er genoeg: Bij Bobby's komen per week drie vertegenwoordigers aan de deur. Klijn heeft gekozen voor een merk uit Japan en een uit Australië. “En 'Perma' voor de technische dingen. Dat gebruik ik al heel lang. Die hebben me ook door de moeilijke tijden heen geholpen.” Marion Kempkes gebruikt produkten op basis van kruiden en fruitzuren. “Ik ben heel blij met 'Joico', er zit een geurtje aan dat veel vrouwen lekker vinden.”

Stef Beek noemt zichzelf een fan van zijn merk 'Sebastian'. “Het is een bedrijf met een hele sterke visie. We hebben nu gels met rainforest-extracten. Zo leer je de mensen nadenken.” Trots toont hij in een reclametijdschrift the Sebastian mission statement: 'It's more than how you look.'

    • Joke Mat