'In mijn eigenlijke werk ben ik volledig eenzaam'

De astrofysicus Vincent Icke vindt de ondernemende universiteit 'een monstrum' dat te vuur en te zwaard bestreden moet worden. Daarnaast breekt hij zich het hoofd over het gewicht van het vacuüm.

'Werkelijke vooruitgang in de wetenschap wordt bepaald door dingen die er niet zijn: buitenissige proefnemingen, vage gedachten, krankzinnige invallen, toevalstreffers. De paradox van de universiteit is dat zich bovenaan de kennisladder een panorama van onwetendheid ontvouwt. De toekomst van de toponderzoeker is onzichtbaar, voorbij de grens van het wetenschappelijke heden weet hij vrijwel niets. Het vragen naar uitkomsten, het vooraf eisen van maatschappelijk nut is dus zinloos.'

Vincent Icke, astrofysicus te Leiden en bijzonder hoogleraar kosmologie te Amsterdam, vorst vanuit zijn hoekkamer op de zesde verdieping van het Huygens laboratorium - dezelfde kamer waar leermeester J.H. Oort (1900-1992) na zijn emeritaat als sterrenkundige actief bleef - de vliegende sneeuwstorm die het landschap in het wit zet. Gepromoveerd bij Van de Hulst op de vorming van sterrenstelsels, is Icke (1946) 'huistheoreticus' van het onderzoeksinstituut Sterrewacht Leiden. Als enfant terrible van de vaderlandse astronomie mag hij het overheidsbeleid jegens de universiteit graag hekelen en zijn inaugurele rede Onzichtbare wetenschap, op 9 februari in de Lutherse Kerk in Amsterdam uitgesproken, staat bol van de gepeperde uitspraken. Als wetenschapper zwoegt Icke op de onverenigbaarheid van Einsteins theorie van de zwaartekracht, de Algemene Relativiteitstheorie, en de velden van de quantummechanica. 'In mijn eigenlijke werk ben ik volledig eenzaam.'

Wat zijn uw vragen?

'Ik doe onderzoek naar twee gebieden. Allereerst houd ik me bezig met hydrodynamica, ik kijk naar gasstromen bij snelheden in de buurt van de lichtsnelheid. Dat werk heeft leuke, sappige aspecten, het lukt aardig en - van levensbelang in deze tijd - het levert publikaties op. Mijn andere onderwerp is lastiger en heeft te maken met de kloof die er gaapt tussen de Algemene Relativiteitstheorie, die met grote precisie voorspelt hoe het heelal beweegt, en het Standaardmodel, de theorie die met verbluffende nauwkeurigheid zegt wat er op subatomaire schaal met elementaire deeltjes als elektronen en quarks gebeurt.

Die twee theorieën bijten elkaar op grove wijze. Als je de voorspellingen van de deeltjestheorie inbouwt in de Algemene Relativiteitstheorie, krijg je catastrofale uitkomsten die door de kosmologie, de wetenschap die het heelal als geheel bestudeert, van geen kant worden bevestigd. De gemiddelde dichtheid van het heelal, zo kun je meten, ligt in de orde van 10 kilo per kubieke meter. Dat is massa, energie en donkere materie samen. Maar de theorie van de elementaire deeltjes komt op een getal dat 10 keer hoger ligt. Dat is geen vergissing, geen rekenfout en betere waarnemingen zullen het verschil nooit goedpraten. Het is een pure catastrofe waar je als astrofysicus achteraan moet.

Zo'n momumentale tegenspraak tussen twee bijzonder goede theorieën betekent dat je een enorm stuk natuurkunde mist. Maar ik zie niets op dit moment, ik tast volledig in het duister. Soms is er een lichtpuntje, maar dat kan net zo goed een dwaallicht zijn. Niemand weet in welke richting de oplossing gezocht moet worden, overal zijn de vorderingen nihil. Stel ik de verkeerde vragen? Begrijp ik het niet? Ben ik te dom? Met je kop tegen de muur beuken heeft geen zin, nog nooit heeft een frontale aanval iets opgeleverd. Je moet om het hoekje denken, dingen denken die anderen niet denken. Soms doe je iets anders en word je, onder het eten, lezen of afwassen, door iets uit je onderzoek besprongen. Boem! Midden tussen je ogen raak.'

Art Buchwald schreef een paar jaar geleden in de International Herald Tribune dat hij de eerste die nog over zwarte gaten durfde te beginnen, zou weten te vinden.

'Toch bestaan ze, al vond VRRO's wetenschapsquiz van niet. Detectie in de astronomie komt neer op omsingelen. We weten van bepaalde objecten in dubbelsterren dat ze een grotere massa hebben dan vijf keer die van de zon, dat ze kleiner zijn dan een kilometer of dertig, enzovoort. Binnen de bestaande natuurkunde is er met straatlengte voorsprong maar één object dat aan al die eisen voldoet: een zwart gat. Of dingen er zijn, merk je aan de invloed die ze uitoefenen. Op dezelfde wijze kun je de snoeiharde conclusie trekken dat 90 procent van het heelal zoek is, uit donkere materie bestaat die we niet waarnemen.'

In uw oratie schamperde u dat uitgerekend een maatschappij die aan astrologie meer uitgeeft dan aan astronomie, de wetenschap ter rechtvaardiging roept en vooraf bewijsbaar nut verlangt. Maar afgaande op het gemak waarmee astronomen hun verklaringen voor donkere materie lanceren en weer opgeven, rijst de vraag hoe het met de astrologie in de eigen astronomische kring is gesteld.

'Die kritiek is terecht. Te snel verantwoording moeten afleggen brengt je in de verleiding een mogelijke verklaring tot de juiste uit te roepen. Van donkere materie weten we zeker dat ze er is, maar niet wat ze is. Aan speculaties geen gebrek: gedaantewisselingen van neutrino's, bruine dwergen, zwarte gaten, axions, gravitino's: er zou een leerzame top-tien van geopperde en verworpen verklaringen zijn samen te stellen. Iets niet weten hoort bij wetenschap, maar kom er voor uit.'

Wat heeft de astronomie de ondernemende universiteit te bieden?

'De ondernemende universiteit is een monstrum bedacht door lieden die niets weten van de manier waarop wetenschap functioneert. Een onderneming werkt met handelstransacties: ik betaal ƒ 2,45 en de bakker geeft mij in ruil een brood. Zo is dat afgesproken. Krijg ik een kogellager of een batterij, dan ben ik ontevreden.

De universiteit werkt anders. Wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op toevallige ontdekkingen, krankzinnige invallen, op wat de natuur en ons verstand ons bieden. Al geeft de staat mij 500 miljoen, dan nog kan ik geen geneesmiddel tegen aids beloven. In de industrie is het net zo. Unilever-topman Tabaksblat presteerde het ons Leidenaren op onze diesbijeenkomst te bekritiseren, terwijl Omo Power, ondanks de miljoenen die zijn onderzoeksafdeling erin heeft gepompt, op een geweldig fiasco is uitgedraaid. Het hele idee van de ondernemende universiteit is gevaarlijk en dient geschrapt te worden, waarmee de vraag naar de bijdrage van de astronomie - die er niet is - vervalt.'

De universiteit kost veel geld, zal men tegenwerpen, en dat moet verantwoord. Geen vrijbrief voor leuk onderzoek maar accountability.

'De universiteit is gevoerd als ganzen in Frankrijk. Ze is zo gegroeid omdat het een veredeld VWO is geworden. Wij zijn gedwongen oneigenlijke taken te vervullen en ons valt moeilijk te verwijten dat we daar niet mee om weten te gaan. Zie je de universiteit, zoals ik, in de eerste plaats als topinstituut, dan kan de halve studentenpopulatie maar beter direct inpakken. En eenderde van de staf. Studenten voorspiegelen dat ze een wetenschappelijke opleiding op het oude niveau krijgen, die voorbereidt op een goede maatschappelijke positie, is misleidend en wreed.

Natuurlijk heeft de maatschappij het recht om verantwoording te eisen, maar ik zou het geld weleens verantwoord willen zien dat wij onderzoekers opgebracht hebben. In How I lost a billion dollars in my spare time verhaalt Arthur Clarke hoe hij in de jaren vijftig op het idee van de communicatiesatelliet kwam, maar weigerde er octrooi op te nemen. Een multi-miljardenbusiness is het geworden. Iedere industrie heeft zijn wetenschappelijke basis en altijd is die om niet geweest. Het is de alomtegenwoordigheid die de wetenschap onzichtbaar maakt. Als wij 0,1 procent van de VOC-winsten hadden opgestreken - en dat geld komt ons toe gezien de sterrenkundige navigatie met behulp waarvan die schepen hun bestemming bereikten - leidt dat tot het twintigvoudige van het budget van nu.'

Waar komt die wereldwijde vraag naar 'nut' toch vandaan?

'De westerse mens wentelt zich in vrede, in welvaart, in schoon werk, in gezondheid. Niet zijn verstand moet gekieteld, maar zijn portemonnee. Meer, meer, meer: het Piggelmee-effect. En maar denken dat telefoontoestellen uit de grond groeien. Toen collega Habing als lid van een visitatiecommissie de Zuidafrikaanse sterrenkunde beoordeelde, merkte hij dat de regering Mandela voornemens was het budget met 20 procent te verhogen. Dit op grond van de overweging dat de trots van een land ook in geestelijke welvaart moet zijn gelegen.'

Bestaat niet het gevaar dat u met uw ongezouten kritiek als dorpsgek wordt aangemerkt?

'Kan me niet schelen. Ik ga recht door zee, als onderzoeker werk ik niet anders. Een dorpsgek spreekt de waarheid, zij het in maatschappelijk onbruikbare vorm. Verstandiger onderzoekers, die wel met politieke termen weten te schermen, die het Kamerlid Rick van der Ploeg in zijn absurde argumentatie om de Nederlandse sterrenkunde te pakken nog kunnen volgen ook, vinden mijn opstelling storend. Het is niet prettig aan onaangename waarheden te worden herinnerd en ook bestaat bij collega's de angst dat ik als een bliksemafleider ga fungeren. Mijn rebelse opstelling zou de verhouding met Den Haag schaden.

Wat ik met Den Haag heb uit te vechten, heb ik hier ook intern uit te vechten. De pestilentie van het nut, het verantwoording moeten afleggen, is in de Nederlandse astronomie dusdanig opgerukt dat we in drie jaar tijd vijf visitatiecommissies over ons heen hebben gehad. Voor mij het moment een streep te trekken. Zijn ze helemaal belazerd, dat houdt me maar van mijn werk. Die opstelling wordt me niet in dank afgenomen.'

'Het is de alomtegenwoordigheid van de wetenschap die haar onzichtbaar maakt.'

    • Dirk van Delft