In Liefde Bloeyende

De Nieuwe Moord van Raamsdonk

Men had de man vermoord, hij was

bezitter van een hoeve.

En toen zijn jonge vrouw vermoord

die hulp had willen roepen. En toen hun dochtertje vermoord

van even zeven jaren.

Haar bedje was doorweekt van bloed

haar peluwtje vol scheuren. Tenslotte nog de hond vermoord

de hond had scherpe tanden.

Een groot portret van de andere drie

stond schrap in alle kranten. De vrouw was ietwat krom, de man

besnord, kaal, bruut van poten.

Het meisje had de fronsblik van

beginnende idioten. E. du Perron (1899-1940)

Er staat 'moord' in de titel en het eerste woord van het gedicht is 'men', dus we begrijpen meteen: hier gaat het om nieuws, een nieuwtje, roddel, om iets uit de almanak en de krant. De nieuwe moord van Raamsdonk: hier gaat het om iets actueels.

Wat was de oude moord van Raamsdonk? Dat was een straatlied, een kermisballade, zó populair dat het in wel honderden variaties is overgeleverd. Het bezingt het treurig lot van een man en een vrouw en een dochter die in het hartje van de nacht door een stel moordenaars worden vermoord om het beetje geld dat ze hebben - de vrouw, 'een grote tang', wordt in de lengte doorgescheurd, de man, 'een grote sok', wordt besmeerd met petroleum en in brand gestoken enDe jonge dochter, haast een bruid Dreef in haar bloed de voordeur uitveel lezers uit de tijd dat Du Perron deze parodie schreef (de jaren twintig) moet de inhoud van de oerballade nog door het hoofd hebben gespookt, en zo niet, dan was alleen uit de titel al duidelijk dat hier de sfeer van een heuse smartlap zou worden opgeroepen, zo'n sfeer waarin het gruwelijke hand in hand gaat met het naïeve.

'Bezitter van een hoeve' noemt Du Perron de man. Daarin zit het noeste zwijgen van de boer. Het is meteen een pathetische manier om te zeggen dat het om een boer met centen gaat. Ook door roepen op hoeve te rijmen wordt de illusie van de volkse smartlap behouden.En toen hun dochtertje vermoordzo begint de tweede strofe. In herhalen zijn straatzangers sterk. Het gaat om de populistische sensatie van vermoord. Even zeven jaren is het dochtertje bij Du Perron, maar ook hier drijft ze in het bloed. Schemert het bloed van haast een bruid er door? In elk geval rijmt scheuren niet half-half of zelfs maar voor een kwart op jaren, wat het vermoeden versterkt dat er in de regel haar peluwtje vol scheureniets anders had moeten staan of dat er in eerdere instantie iets anders gestaan heeft, iets veel gruwelijkers.Tenslotte nog de hond vermoorddriemaal vermoord is scheepsrecht. De hond had scherpe tanden, wordt er bij verteld, de hond bood dus nog verzet, de hond was blijkbaar de lastigste klus voor de moordenaars. Moeiteloos maken we in deze strofe de sprong van sensatie naar nieuws, van almanak naar krant, want in alle kranten stond 'een groot portret van de andere drie'.

Een groot portret van de andere drie honden, wel te verstaan.

Ik ken de gevoelswaarde van het woord schrap in de jaren twintig niet, wie weet was het toen een populaire uitdrukking, maar het komt me voor dat Du Perron dit woord ironisch toepast - geen smartlap zonder een paar geheide archaïsmen. De parodie is in deze derde strofe nog volop parodie.

Dan, in de vierde strofe, volgt de krantenfoto. De humor verstomt. De taal verliest haar dubbelzinnigheid en triviale pedanterie. Het beeld wordt gefixeerd. Het drietal kijkt ons recht in de ogen. Het is een groepsportret om niet licht te vergeten.

Om het draaglijk te houden speelde de gruwelijke moord zich binnen de parodie af, maar hier is het spel van de parodie ten einde, in het staccato-ritme van de vierde strofe staan we frontaal tegenover een ondraaglijk drietalHet meisje had de fronsblik van beginnende idioten.Dat is mooi, heel mooi. Die zin zit ook, door het eerste volle rijm van het gedicht - man, van, poten, idioten. Hier hebben we een drietal voor ons dat door de dichter niet wordt betreurd.

Het lijkt een ronduit bedreigend drietal voor de dichter. Hij beschrijft ze fysiek, dicht op de huid en alleen maar op de huid. In een nieuwe moord te Raamsdonk moest hij ze oproepen, ze zijn actueel voor hem. In de laatste strofe laat de dichter het masker van de parodie en de overdrijving van de ballade vallen. Wat we zien is een pasfoto uit een politierapport. Niet zomaar een kiekje van een drietal uit een smartlap, toevallige slachtoffers, nee, we zien - uitgelicht en haarscherp - de ernst en de onontkoombaarheid van de oprukkende gewone man, slachtoffer en beul tegelijk. Geen portret van buitenbeentjes, maar van de familie Doorsnee.