Hyperactief maar nog geen monstertje

Hippocrates dacht dat de persoonlijkheid bepaald werd door de verhouding tussen de lichaamssappen bloed, gal, etter en zwarte gal. Een melancholicus zou beheerst worden door zwarte gal, terwijl een overschot aan etter iemand flegmatisch of zelfs onverschillig en koel zou maken. Deze gedachte was achteraf zo gek nog niet, alleen ging Hippocrates uit van de verkeerde lichaamssappen - wie bloed en gal vervangt door hormonen en neurotransmitters kan tegenwoordig rekenen op instemmend gemompel uit wetenschappelijke kring. Een depressief mens heeft een tekort aan de neurotransmitter serotonine en bij hyperactieve kinderen is iets mis met de dopamine in het brein.

De laatste tijd staan ook de biologische eigenaardigheden van de crimineel als menstype in de belangstelling. Door de VPRO-televisie werden de afgelopen week twee documentaires over dit onderwerp vertoond met als titels 'Het brein als dader' en 'A mind to crime'. Deze krant kopte in de televisierubriek zelfs dat hyperactieve kinderen geboren criminelen zijn. Bij veel ouders van drukke, onoplettende kinderen is de angst ontstaan dat zij crimineeltjes in spe moeten grootbrengen. De aangeboren kenmerken van het brein zouden de kinderen bijna onvermijdelijk het verkeerde pad opsturen. De gerezen onrust is echter in verreweg de meeste gevallen onterecht.

In de eerste plaats ligt de relatie tussen biologie en criminaliteit een stuk complexer dan wordt gesuggereerd. De biologie vormt weliswaar een onmisbare schakel bij het verklaren van gewelddadigheid, maar er bestaat niet zoiets als een geboren crimineel of criminele genen. Neem het verhoogde gehalte aan het mannelijke geslachtshormoon testosteron dat is aangetoond in gevangenispopulaties. Gevangenen die de meest gewelddadige misdaden hebben begaan en die het vaakst ordeverstoringen zonder aanleiding veroorzaken, hebben het hoogste niveau van testosteron in hun speeksel.

Testosteron kan het brein op tilt laten slaan. In een Amerikaans tijdschrift werd daarom gesuggereerd dat vrouwen eerst een testosterontest bij hun vriend moesten afnemen voor zij hem het ja-woord gaven. Dergelijke berichten roepen een beeld op van biologisch gedetermineerd kwaad dat alleen bij anderen voorkomt. In werkelijkheid gaat het echter om factoren die voor iedere man van belang zijn. Zo is tijdens de finale van het wereldkampioenschap voetbal aangetoond dat het testosterongehalte in het speeksel van fanatieke fans met respectievelijk een kwart stijgt of daalt als hun favoriete elftal wint of verliest. Het lijkt waarschijnlijk dat deze schommelingen de vele rellen rond het veld gedeeltelijk kunnen verklaren, maar het blijft zo dat duizenden fans te maken krijgen met veranderde testosteronspiegels, terwijl slechts een enkeling zich tot een relschopper ontpopt of zijn vrouw 's avonds in elkaar slaat.

Aandachtsproblemen

Hetzelfde geldt voor de hyperactieve kinderen met aandachtsproblemen (ADHD-kinderen, van het Engelse Attention Deficit/Hyperactivity Disorder). Verreweg de meeste kinderen met ADHD worden nooit crimineel. De Amsterdamse hoogleraar psychologie Joe Sergeant beschrijft bovendien dat bij het ontstaan van criminaliteit altijd sprake is van een combinatie van factoren. Crimineel worden kinderen bij wie alle ongelukken tegelijkertijd gebeuren. Ze hebben niet alleen last van ADHD-verschijnselen, maar komen ook uit een slecht milieu, met bijvoorbeeld een vader die drinkt en agressief is en een depressieve tienermoeder die zich niet om haar kinderen bekommert. Maar volgens onderzoek gedragen zelfs degenen die in hun jeugd alles tegen hebben gehad, zich slechts in eenderde deel van de gevallen gewelddadig of crimineel.

Impulsbeheersing

Dit neemt niet weg dat ADHD inderdaad de kans op criminaliteit wat vergroot. Volgens schattingen heeft een kwart van de criminelen een ADHD-verleden, terwijl dat in de hele bevolking op twee tot vijf procent blijft steken. De oververtegenwoordiging van ADHD bij criminelen komt waarschijnlijk voort uit de tekortschietende impulsbeheersing. Mensen met ADHD-kenmerken zijn weleens vergeleken met 'ongeleide projectielen'. Boosheid kan daardoor gemakkelijker uit de hand lopen. De sterke impulsiviteit wordt in verband gebracht met een minder goed functioneren van het voorste (prefrontale) deel van de hersenschors. De Amerikaanse psycholoog Adrian Raine heeft met behulp van beeldvormend hersenonderzoek (PET-scans) laten zien dat er bij een groep impulsieve moordenaars sprake was van een opvallende passiviteit van de prefrontale hersenschors. Toch kan men ook hier niet spreken over een biologische gedetermineerdheid van het kwaad. Zo moest Raine constateren dat zijn eigen PET-scan typisch moorddadige trekjes had.

Het gesuggereerde rechtstreekse verband tussen ADHD en criminaliteit dient ook om andere redenen gerelativeerd te worden. Zo komt ADHD regelmatig samen met een gedragsstoornis voor. Een gedragsstoornis wil zeggen dat geen rekening gehouden wordt met de rechten van anderen. Sergeant: 'Dit zijn geen kinderen die gewoon lastig zijn. Ze zijn bijvoorbeeld wreed tegen dieren of vechten voortdurend op school. Er zijn daarbij aanwijzingen dat latere criminaliteit niet zozeer voortkomt uit ADHD, maar juist uit de combinatie van ADHD en een gedragsstoornis. Het is dus beslist niet zo dat er een gevaarlijk monster schuilt in elk hyperactief en onoplettend kind dat zich verder netjes gedraagt.'

Het hele idee van het brein als dader is bovendien gebaseerd op een achterhaald idee over het brein als een soort statische machine. Hoe het brein functioneert is afhankelijk van de manier waarop de miljarden zenuwcellen onderling verbindingen vormen. Deze verbindingen zijn deels afhankelijk van genetische factoren, maar daarnaast worden zij door ervaringen voortdurend aangepast en veranderd. Het brein is uiterst plastisch en veranderbaar. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat kinderen die geboren worden met ernstige hersenafwijkingen zich vaak verrassend goed ontwikkelen. De hersenen kunnen een aangeboren afwezigheid van de hersenbalk (een belangrijke structuur waardoor de beide hersenhelften met elkaar communiceren) goed opvangen. De stimulatie vanuit de omgeving zorgt ervoor dat het brein zich zodanig herorganiseert dat het aangeboren gebrek grotendeels wordt gecompenseerd.

Evenzo bouwen zorgzame, betrokken ouders die hulp zoeken voor hun ADHD-kind als het problemen krijgt op school, een tegenwicht tegen de aangeboren neiging tot impulsiviteit die mogelijk de aanzet kan geven tot een ontsporing. Hyperactieve, onoplettende kinderen zijn geen monsters. De ernstigste gevallen hebben wat meer kans om op het verkeerde pad te raken, maar het loopt in de meeste gevallen alleen uit de hand als het brein een handje geholpen wordt door de omgeving. Goed gedrag of juist criminaliteit ontstaan beide door een samenspel van biologische en sociale factoren.

    • Ad Bergsma