Het Textielmuseum werkt; Pakkende patronen voor iedereen

Nederlands Textielmuseum. Expositie Pakkende patronen, weven volgens het principe van Jacquard t/m 24 maart 1996. Di t/m vr 10-17u, za-zo 12-17u. Goirkestraat 96, Tilburg. Inl 0135-367475.

Voortdurend klinkt er het bedrijvige geratel van tien- tallen machines, weefgetouwen en breitoestellen. In het Textielmuseum in Tilburg zijn niet alleen tijde- lijke exposities te zien - zoals nu 'Pakkende Patronen' over jaquard-weeftechnieken - maar worden nog altijd stoffen op ambachtelijke wijze geproduceerd.

De aandoenlijkste machine in het Nederlands Textielmuseum is de punnikmachine. Hij heet natuurlijk niet zo: het is een breimachine, een klein model dat met een ouderwetse slinger wordt aangedreven. Maar de techniek is precies hetzelfde als bij punniken. Het breisel hangt in een ring van rechtopstaande haakjes, en als je aan de slinger draait, duiken de haakjes om de beurt even onder in één vloeiende beweging. Het breisel wordt verlengd met een rij nieuwe lusjes. Wat er van onderen uit komt is niet, zoals bij het oude punnikklosje, een koord, maar een slurf: je zou er een kous van kunnen maken.

De eerste breimachine voor kousen is vierhonderd jaar geleden in Engeland bedacht. Weefgetouwen waren er toen natuurlijk ook al. Maar alles werd met de hand aangedreven, en het aanbrengen van strepen, patronen of voorstellingen in stof was een onvoorstelbaar gepriegel.

De textielfabricage hoort net als bijvoorbeeld het bier brouwen en leer looien tot de ambachten die sinds mensenheugenis niet door één mens alleen konden worden bedreven. Er waren grotere werkplaatsen, manufacturen, voor nodig. Wol en linnen waren basisbehoeften, dus de fabricage vond op talloze plekken plaats. Maar er waren wel concentraties van bedrijvigheid. De stad Leiden was in de zeventiende eeuw een beroemd centrum voor de fabricage van wollen stoffen.

Tilburg werd in de negentiende eeuw een echte textielstad. Een van de fabrieken die toen verrezen, is in onze tijd tot industrieel monument uitgeroepen en biedt sinds tien jaar onderdak aan het Nederlands Textielmuseum. In een uitgestrekte hal met een dakconstructie van glas in hout (de shed-bouw, waarbij industrieel archeologen zich de vingers aflikken) krijgt de bezoeker een indruk van hoe een middelgrote textielfabriek er uit zag - en werkte. Want dat is het bijzondere van dit museum: het staat niet stil. Wie er binnenkomt, hoort het bedrijvige geratel van tientallen machines, weefgetouwen, breitoestellen. Wie bij een machine staat te kijken hoe een lap stof of een sjaal ontstaat, vindt weldra iemand in overall naast zich die vriendelijk uitlegt hoe dat in zijn werk gaat.

Dit moet het produktiefste museum van Nederland zijn: de museumwinkel verkoopt voor een spotprijsje in huis gemaakte wollen sjaals in vele kleuren, en (iets minder goedkoop) ouderwets-degelijk tafellinnen, fraaie theedoeken en breigarens. Op bestelling worden er ook passementerieën gemaakt, koorden, kwasten en dergelijke. In een naburig gebouw bevinden zich een restauratie-atelier en een damastweverij. En verder is in het museum voortdurend werk te zien van hedendaagse kunstenaars die 'iets doen' met textiel.

In de eerste ruimte na de entreehal staat de bezoeker oog in oog met een fantastische, rood-zijden jas die in een vitrine hangt. De mouwen zijn extreem lang, en in de stof zijn fraaie patronen, bloemen en dieren, te zien. Ooit moet deze jas, die duidelijk met de hand is geweven, een koninklijke schat hebben vertegenwoordigd. Hij is zo'n 250 jaar oud en stamt uit Tibet.

De jas illustreert het figuurweven, een techniek die op zichzelf al oeroud is. Rond 1800 werd hij echter aanzienlijk vereenvoudigd door de uitvinding van Joseph Jacquard uit Lyon. Een tijdelijke expositie, 'Pakkende Patronen' getiteld , licht Jacquards vinding nader toe.

Om een patroon - ruiten, bloemen, portretten desnoods - in stof te weven, moet een deel van de kettingdraden even worden opgetild, als de spoel met de inslagdraad langs komt. Daarvoor waren in oude tijden twee mensen nodig die samen aan één getouw werkten: een wever en een trekjongen of -meisje. Dankzij de vindingen van Jacquard (en een paar anderen) kon één man het werk doen. Een systeem van ponskaarten en gewichtjes zorgde ervoor dat de juiste draadjes steeds op het juiste moment werden weggetrokken.

Sindsdien leek een weefgetouw zowel op een drukpers als op een draaiorgel: van de eerste heeft het de eeuwig doorstampende beweging, van de tweede de grote kartonnen ponskaarten die als een strook of ring over een heleboel pinnen werden getrokken. In principe is aan de techniek nog niets veranderd, al worden patronen nu met computertechniek ontworpen en op de machine overgebracht.

Op verschillende getouwen komen op de tentoonstelling jacquard-weefsels tot stand. Ook de naamstrookjes van textiel die degelijke moeders vroeger in de kleren van hun kinderen naaiden blijken jaquard te zijn. (Je kunt ze trouwens nog steeds bestellen.) Veel kostbaarder zijn de zijden wandbespannings-stoffen in purperrood en andere sprekende kleuren. Zij worden, soms naar achttiende-eeuwse ontwerpen, nog maar door twee weverijen in Frankrijk gemaakt; in het museum hangen stalen. De stoffen zijn in Nederland te koop bij de firma Ruys in Zeist, en vinden voornamelijk afzet ten behoeve van restauraties van kastelen en andere historische gebouwen. In Tilburg zijn onder meer stoffen te zien die zijn gebruikt bij de restauratie van Paleis Noordeinde.

Technische vooruitgang is nooit alleen maar een zegen. Dank zij ontwikkelingen als die van het jacquardgetouw werden er in de vorige eeuw steeds meer, en eerlijk gezegd ook steeds lelijkere stoffen gemaakt. Zo'n honderd jaar geleden ontstond - net als in heel Europa trouwens - een tegenbeweging. Kunstenaars begonnen zich ermee te bemoeien, en gelukkig waren er fabrikanten en kopers die belangstelling hadden voor betere textielontwerpen. De naam die in dit verband het vaakst opduikt is die van Chris Lebeau (1878-1945). Hij ontwierp huishoudtextiel voor de Eindhovense linnenfabriek Van Dissel.

Op de hoogste verdieping van het tentoonstellingsgebouw naast de machinehal is een overzicht te zien van het Nederlandse gebruikstextiel van de laatste honderd jaar. Een deel is met jacquard-techniek gemaakt, zoals de vertrouwde servetten en keukendoeken. Maar er zijn ook subtiele gebatikte boekomslagen, bijvoorbeeld voor De Stille Kracht van Couperus (Lebeau 1900). En afgrijselijke wollen dekens uit de jaren vijftig, in kleuren die toen moesten doorgaan voor fris en modern.

Ondanks velerlei inspanningen om de markt bij te houden is het de Nederlandse textielindustrie de laatste veertig jaar niet goed gegaan. De ene fabriek na de andere bezweek voor de concurrentie van de Derde Wereld; een hele design-traditie bezweek mee. Maar in deze ene oude fabriek in Tilburg (waar Christiaan Mommers zich in 1875 vestigde als 'stoomwolfabrikant') wordt ervoor gezorgd dat de vaderlandse textielindustrie niet compleet uit het collectieve geheugen zakt. En op die manier is de textiel in Tilburg toch weer een bloeiend bedrijf.