Gronings Provinciehuis: spaken met een functie

Gebouw: Provinciehuis Groningen. Opdrachtgever: Gedeputeerde Staten Provincie Groningen. Ontwerp: Benthem Crouwel Architekten. Oplevering: november 1995. Bouwkosten: 32 miljoen

Van alle Nederlandse architecten zijn Jan Benthem (43) en Mels Crouwel (42) waarschijnlijk de strengste functionalisten. Hun in 1990 geformuleerde credo leest als een manifest van het Nieuwe Bouwen uit de jaren twintig. “Het bereiken van optimale bruikbaarheid moet het belangrijkste doel zijn bij ieder gebouw”, staat er, en: “De gebruikte materialen en constructies moeten geheel op het bereiken van dit doel zijn afgestemd.” Van dit geloof zijn ze, getuige een interview onlangs in deze krant, nog steeds niet afgestapt. “We kunnen niet anders!” bekenden ze. Wel bleken ze een zeer ruime opvatting van het functionalisme te hebben: prettigheid was ook een functie: “Een ruimte moet prettig zijn, ook dat is een functie.”

Maar al is het credo van Benthem Crouwel in de loop der jaren niet veranderd, hun werk is dat wel. Het is in ieder geval moeilijk te geloven dat de uitbreiding van het nieuwe provinciehuis in Groningen is ontworpen door Benthem Crouwel Architekten, het bureau dat ooit begon als ontwerper van high-tech-gebouwen. Rode bakstenen, het materiaal en het symbool van de traditionalisten, nemen een belangrijke plaats in dit nieuwe gebouw in.

De keuze voor dit materiaal komt voort uit de wens van de architecten om aan te sluiten bij de al bestaande delen van het provinciehuis, variërend van de middeleeuwse Latijnse school tot een uitbreiding van de traditionalist J.F. Berghoef (1903-1993) uit 1965, die allemaal hoofdzakelijk van baksteen zijn.

Benthem Crouwel hebben ook nog op een andere manier rekening gehouden met de omgeving. De drie nieuwe kantoorblokken staan niet evenwijdig naast elkaar, maar uitwaaierend, als spaken in een denkbeeldig wiel waarvan de naburige Martinitoren het centrum vormt. De drie blokken, die de plaats van woningen, een school en nog wat andere gebouwen innemen, worden verbonden door een vierde dwarsblok dat in de Turfsingelstraat het oude, smalle stratenpatroon herstelt. Langs de Turfsingel hebben Benthem en Crouwel een laag restaurant met een grotendeels glazen gevel geplaatst, zodat de Schouwburggangers die langs de gracht lopen de Martinitoren kunnen blijven zien. Tussen de spaken zijn op het dak van de parkeergarage nog niet ingerichte binnentuinen voorzien, waarvan er een via een trappetje ook voor het publiek bereikbaar zal zijn.

Al deze contextuele aanpassingen zijn te rechtvaardigen met een beroep op het functionalistische credo. Baksteen is tenslotte een uitstekend bouwmateriaal en het bieden van doorkijkjes op de Martinitoren verhoogt het stedelijk genot der Groningers en kan daarom functioneel worden genoemd. Zelfs de classicistisch aandoende overstekende daklijsten hebben nut - het was tenslotte een treurige vergissing van de Nieuwe Bouwers uit de jaren twintig om te denken dat gebouwen het in een regenachtig klimaat zonder dakrand konden stellen.

Ook het interieur is doelmatig. Dat bestaat voornamelijk uit lange gangen met aan weerszijden ruimtes, de traditionele en volkomen orthodoxe manier om kantoren te maken, die al eeuwen in Europa zijn diensten heeft bewezen. Op het eerste gezicht is minder goed te begrijpen waarom de gangmuren in een van de bouwdelen achterover hellen en tandvormig zijn, zodat rechthoekige deuren niet voldoen. “Nooit”, zeiden Benthem Crouwel immers in het eerder aangehaalde interview “ zullen wij zomaar een scheve zuil of een golvend dak maken.”

Toch kan ook zelfs hiervoor wel een reden worden verzonnen. De rare deuren en dronken gangen doorbreken de strenge orde van lange gangen omzoomd door hokken en zorgen zo voor afwisseling die een weldaad kan zijn voor het gemoed van de provincie-ambtenaren. Hetzelfde geldt voor de scheve, vooroverhellende gevelbekleding van golfplaat aan de Turfsingelstraat. Typisch jaren negentig en onfunctioneel modieus, is de eerste gedachte die opkomt, maar waarschijnlijk verhoogt het in de ogen van de architecten de 'prettigheid' van een gebouw.

Zo is alles aan dit gebouw wel te rechtvaardigen. De royale entreehal is strikt genomen niet noodzakelijk - wat kleiner zou ook heel goed kunnen - maar een overheidsinstelling als de Provinciale Staten verdient natuurlijk een waardige ingang. Hetzelfde geldt voor de binnenstraat langs de Turfsingelstraat die bestaat uit een vier verdiepingen hoge vide. Deze is ook niet echt nodig maar valt als bijvoorbeeld lichthof aan de donkere straat wel te begrijpen.

Het functionalisme van Benthem Crouwel is, kortom, zo ruim en flexibel dat alle vormen ermee kunnen worden gerechtvaardigd. Zo komt dat de kampioenen van het neo-modernisme een half traditionalistisch gebouw met onmiskenbaar klassieke elementen hebben gemaakt. Het functionalistisch credo van Benthem Crouwel is een lege huls die met van alles kan worden gevuld. Maar dat geeft helemaal niets, zo lang het zulke passende en elegante kolossen oplevert als het nieuwe Provinciehuis in Groningen.

    • Bernard Hulsman