Gracieus en razendsnel: vinzwemmen; Als de man van Atlantis

Elke vinzwemmer heeft affiniteit met een of ander waterwezen. Meestal is dat een dolfijn, maar ook een zeemeermin of de man van Atlantis uit de gelijknamige tv-serie behoren tot de mogelijkheden. “Weinig mensen weten wat vinzwemmen is,” zegt Edwin Kanters (1970). “Maar noem het meisje van Veronica dat zwemt als een zeemeermin en ze weten ineens waar je het over hebt.” Vinzwemmen is in Nederland een jonge tak van de onderwatersport waarbij men zich razendsnel voortbeweegt met behulp van een monovin.

Die vin is een groot zwemvlies dat aan twee voeten tegelijk is bevestigd. Idealiter is het gemaakt van 68 centimeter lange, 72 centimeter brede en twee millimeter dikke glasvezelmatten opgevuld met kunsthars. Bij de voortbeweging worden de armen gestrekt voorwaarts gehouden en maakt het lichaam een golfbeweging die uit de heupen dient te komen. Ademen gebeurt via een snorkel die in plaats van langs de zijkant van het hoofd, zoals bij duikers, langs het voorhoofd naar het wateroppervlak loopt.

Onder water ziet de beweging er gracieus uit. “Het gaat erom het dolfijngevoel te krijgen,” zegt Kanters, houder van Nederlands record op de middellange afstand. Hij vindt vinzwemmen wel vermoeiend, maar ontspannender dan gewoon zwemmen. “Je kunt veel hogere snelheden halen en je voelt het water langs je heen stromen.” Hij zwemt de vierhonderd meter met een snelheid van zo'n zeveneneenhalve kilometer per uur. Dit is maar een halve kilometer per uur langzamer dan de Rus Konstatin Koudraiev (1969), houder van het wereldrecord op deze afstand.

Liefhebbers van vinzwemmen gedragen zich als een hechte familie zeezoogdieren die contact onderhoudt met behulp van soortspecifieke signalen. Zo spreken ze van een Doska, het Russische woord voor zwemplankje dat gebruikt wordt tijdens de training. Of schelden elkaar uit voor Bommenlegger, een term uit de Tweede Wereldoorlog toen, volgens de overlevering, vinzwemmende mariniers betrokken waren bij het leggen van mijnen.

Vinzwemmen werd in 1986 officieel erkend als Olympische demonstratiesport en staat dus op de nominatie om te worden opgenomen in het programma van de Olympische Spelen. In het zwembad zijn er drie onderdelen: zwemmen aan de oppervlakte, afstandsduiken en duiken met perslucht. De vinzwemmers worden naar leeftijd en geslacht ingedeeld in verschillende categorieën en er worden standaardafstanden gezwommen. Afstandsduiken gaat het snelst: duiken van het startblok en dan vijftig meter onder water zwemmen. Het wereldrecord is in handen van de Chinees Liu Qiurong (1970) die deze afstand doet in twaalf kilometer per uur, drieënhalve kilometer sneller dan het wereldrecord klassiek zwemmen voor heren op de vijftig meter vrije slag.

Wat onder water opvalt is het gedrag van onderhuids vet. Net zoals bij dolfijnen en andere waterdieren is dit vet van belang voor het drijfvermogen en een goede isolatie tegen de kou. Hoe hoger het vetgehalte hoe beter men drijft en hoe minder moeite men hoeft te doen om zinken te voorkomen; alle energie wordt voor de voortbeweging gebruikt. Hoe weinig vetweefsel een mens ook bezit, het begint onvermijdelijk te lillen zodra men zich onder water beweegt.

Boven water komen met een regelmatige frequentie de achterwerken van de zwemmers en zwemsters boven water uit. Ook hoor je zo nu en dan enorme klappen als een vin bij het maken van een keerpunt tegen de kant van het bassin aan slaat. Als iemand de beweging nog niet helemaal door heeft, geeft trainer Herman van de berg van de Utrechtse Zwemclub Star Cominatie een goede tip.“Doe moar net asof ie een wippie leg te moake,” brult hij in zijn hese Utrechtse accent. Er klinkt meisjesgegiechel, maar zijn uitspraken zijn niet mis te verstaan. “Het is een prettige beweging”, is voor vinzwemster van de lange afstand Monique de Jager (1971) de belangrijkste reden om het maar liefst vier keer per week te doen.

Folders verkrijgbaar bij de Nederlandse Onderwatersport Bond, bereikbaar op werkdagen van 8u30-12u30 en van 13u30-16u30. Inl 030-2517014.

    • Oskar Edwald