De Wajak schedels; Een missing link die gemist kan worden

Paul Storm: The evolutionary significance of the Wajak skulls. Promotie Vrije Universiteit, uitgegeven in de serie Scripta Geologica (110) van het Nationaal Natuurhistorisch Museum.

Toen hij op Sumatra naar de missing link zocht tussen aap en mens, hoorde de Nederlandse arts Eugène Dubois over de ontdekking van een gefossiliseerde schedel aan de zuidoostkust van Java. Dubois kreeg de schedel in zijn bezit, hield Sumatra voor gezien en trok naar de vindplaats, een rotswand in de buurt van het dorpje Wajak (Wadjak in de oude spelling).

Daar ontdekte hij een tweede schedel en andere menselijke skeletresten en verzamelde overblijfselen van vooral zoogdieren. Dat alles gebeurde in 1890, een paar jaar voor hij met de vondst van de ongeveer 900.000 jaar oude Pithecanthropus erectus wereldberoemd zou worden. De drukte die dat laatste opleverde droeg er mogelijk toe bij dat Dubois pas in 1920 en 1922 formeel met zijn ideeën over de Wajak schedels naar buiten kwam. Hij bleek in Homo wajakensis vanwege enige robuuste kenmerken een proto-Australiër te zien.

Toen in 1931 bij het plaatsje Ngandong aan de Solo rivier overblijfselen werden gevonden van primitievere hominiden, mogelijk uit 400.000 tot 100.000 jaar geleden, was de link naar Wajak snel gelegd. Aldus beschikte de toenmalige paleo-antropologie in Zuidoost-Azië over een doorlopende lijn: Pithecanthropus erectus (Homo erectus) - Ngandong/Solo - Wajak - Australiërs.

Deze lijn heeft sterk bijgedragen tot de formulering van het multiregionale continuïteitsmodel, een van de twee belangrijke theorieën over het ontstaan van de moderne mens. Voorstanders van dit model stellen dat de moderne mensen rechtstreekse afstammelingen zijn van Homo erectus-groepen die rond één miljoen jaar geleden uit Afrika in de Oude Wereld terecht kwamen. In Afrika zelf, het Midden-Oosten, Azië en later Europa zou zich dezelfde ontwikkeling hebben voorgedaan, waarin Homo erectus geleidelijk naar Homo sapiens evolueerde. De huidige rasverschillen zouden op die regionale ontwikkeling terug te voeren zijn.

Dubois' beschrijving van de Wajak-schedels was niet perfect en hij had de bijbehorende faunaresten links laten liggen. Verder zijn schedels en faunaresten, evolutie-debat of niet, sinds die tijd nauwelijks nog uit de kluis in het Leidse Nationaal Natuurhistorisch Museum gehaald. Ook is het nooit tot een vergelijking gekomen van de Wajak crania met bijvoorbeeld recente Javaanse schedels. Een onbevredigende situatie voor dr. J. de Vos, conservator van de Dubois-collectie.

Dubois had van de datering van zijn wajakensis eigenlijk geen goed idee; hij hield het op een pleistocene oorsprong. Op een gegeven moment werd dit gepreciseerd met de veronderstelling dat Wajak 40.000 jaar oud zou zijn. Dat paste nog in de bovenstaande lijn, want men dacht toen dat de hominide kolonisatie van Australië ongeveer 30.000 jaar voor Christus plaatsvond. Maar in de afgelopen decennia heeft onderzoek deze kolonisatie steeds verder terug in de tijd geschoven. Het wordt nu een jaar of tien voor waarschijnlijk gehouden dat de eerste mensen zich 60.000 jaar geleden al in Australië vestigden.

Getorpedeerd

Op zoek naar een geschikt onderwerp voor zijn paleo-antropologische studie, meldde Paul Storm zich in 1986 bij De Vos. Hij richtte zich bij zijn onderzoek op de fauna van Wajak en omgeving, op culturele resten (er bleken twee stenen werktuigjes te zitten tussen het materiaal dat Dubois naar Nederland had verscheept), op de datering en op de kenmerken van onder meer schedels van Ngandong, Wajak, vroege en recente Australiërs en recente Javanen. Overigens heeft Storms nooit het geld bij elkaar kunnen krijgen om de vindplaats Wajak te bezoeken, laat staan te onderzoeken. Niettemin: zijn conclusies torpederen die van Dubois.

Storm: “De resten van dieren die Dubois in Wajak en omgeving heeft opgegraven behoren tot een moderne fauna. Uitgestorven dieren komen er niet in voor. Deze fauna was al bekend van de vindplaats Sampung en daar gedateerd in het Meso- of Neolithicum. De werktuigjes, microlithen, vormen eveneens een aanwijzing voor een mesolithische oorsprong. En datering van de botresten geeft voor de Wajak schedels een ouderdom aan van ongeveer 6.500 jaar en voor de fauna een ouderdom tussen de 5.000 en 10.000 jaar Before Present. Dit laatste komt weer overeen met de datering van het Indonesische Mesolithicum. Wajak is kortom mesolithisch.

Voor wat het fysisch-antropologische deel van het onderzoek betreft, heeft Storm goed gekeken naar de relatie tussen Wajak en Ngandong. “Wajak behoort tot Homo sapiens. Ngandong interpreteer ik als een late erectus-groep. Ik zie op Java dus twee soorten: Homo erectus en Homo sapiens. Tussen die twee bestaat er naar mijn overtuiging een duidelijke breuk. Overgangsvormen zijn er niet. Een afgetekende breuk komt ook in de fauna voor. De Ngandong Homo erectus maakte deel uit van een archaïsche fauna in een open boslandschap, in savanne-terrein. Maar als gevolg van veranderingen in het klimaat verscheen op Java de zogenoemde Punung-fauna, een modern uitziende regenwoudfauna. Die Punung-fauna lijkt, heel globaal gedateerd, 80.000 jaar geleden een feit en de archaïsche Ngandong-fauna, waartoe Homo erectus behoorde, werd er door vervangen.”

Homo erectus zelf kennelijk ook. En dat strookt volledig met de veronderstellingen van de tweede belangrijke theorie over de opkomst van de moderne mens: het vervangingsmodel. Volgens dit model zou Homo sapiens ongeveer 200.000 tot 250.000 jaar geleden in Afrika (daar houdt men het voorlopig nog op) zijn ontstaan en daarna overal op de Oude Wereld de erectus-populaties hebben vervangen. Voorstanders van de vervanging wijzen op de onwaarschijnlijkheid dat in heel verschillende streken van de wereld erectus-groepjes, onafhankelijk van elkaar, een nagenoeg volledig gelijke ontwikkeling konden doormaken. Ter verdediging hebben multiregionalisten (waaronder Milford Wolpoff) op dit punt aangevoerd dat er wel degelijk genen-uitwisseling plaatsvond. Maar die 'tegemoetkoming' is ook verworpen. Afstanden en natuurlijke barièrres zouden te groot zijn geweest. Paleo-genetici tekenden daarbij nog aan dat als er zich al genen-uitwisseling zou kunnen hebben voorgedaan, dit toch onvoldoende zou zijn geweest voor een identieke ontwikkeling.

Moderne mensen

Wat nu betekenen de bevindingen aan de Wajakschedels voor het debat tussen de beide theorieën?

Storm: “Voor het multiregionale continuïteitsmodel is dit heel vervelend. De lijn Pithecanthropus-Ngandong-Wajak-Australische aboriginals, dat was een heel stevige. Met mijn proefschrift heb ik er een schakel tussenuit gehaald. En voor de rest: zonder Wajak zie ik ook geen continuïteit tussen Ngandong en Australiërs. Wolpoff bijvoorbeeld doet dat wel. Maar ik dus niet. Australische aboriginals, prehistorisch en historisch, zijn wat mij betreft heel duidelijk moderne mensen.

Toch denkt Storm dat regionale continuïteit wel degelijk bestaat. “De prehistorische aboriginals zijn de voorouders van de huidige aboriginals, Wajak is de voorouder van de recente Javanen. Ik ben van mening dat met de omslag naar de Punung-fauna Homo sapiens Australazië is binnengekomen. Hij moet een, wat ik noem, gegeneraliseerde schedelmorfologie hebben gehad. Lokale omstandigheden kunnen echter al gauw tot verschillen binnen een soort leiden.”

De schedels van Australische aboriginals en Papoea's hebben het meest trekken van die gegeneraliseerde Homo sapiens behouden; zij behoren tot het Sahul-type. Javanen en Chinezen zijn sterker veranderd, zij vormen het Sunda-type. Storm: “Ik ben het er dus ook wel mee eens dat je min of meer onafhankelijke lijnen kunt krijgen. Ik heb alleen moeite met de schaal waarop dat in het multiregionale continuïteitsmodel gebeurt. Genen-uitwisseling heeft plaatsgevonden tussen lokale populaties en dan binnen een soort. Op soortsniveau, dus tussen Homo sapiens en Homo erectus, ben ik aanhanger van de vervanging.”

    • Theo Holleman