De muzikant in de toren

De tonen van de trompet weerkaatsen tegen de statige huizen om de Rynek Glowny in Kraków en sterven daarna snel weg. Het geluid lijkt te worden opgezogen door de vuile, wekenoude sneeuw die het immense plein bedekt. De melodie heeft een melancholiek karakter, maar het meest opvallende is het einde, dat eigenlijk geen einde is. Midden in een frase houdt de trompettist op.

Ieder heel uur klinkt deze melodie in de vier windrichtingen vanuit de linkertoren van de Mariakerk, die een stuk hoger is dan de rechter, en mooier is afgewerkt. Volgens een oud verhaal is dat verschil het gevolg van de wedijver tussen twee broers die ieder verantwoordelijk waren voor een van de torens.

In een onooglijk hoekje onderaan de linkertoren zit een kleine zwarte deur. Daarachter bevindt zich in het halfdonker de eerste van de 236 treden die leiden naar de nok. Bovengekomen sluit trompettist Krzyszstof Daniel het houten luik en toont zijn kleine koninkrijk, een achthoekige ruimte op 54 meter boven de stad, vol met zware houten balken, waar in een hoek een klein kamertje is afgetimmerd.

Daniel regeert hier 24 uur. Vanmorgen om acht uur is hij begonnen, morgen om dezelfde tijd zal hij worden afgelost door een van de andere zeven vrijwilligers, net als hij werkzaam bij de brandweer van Kraków. Zesennegentig keer heeft hij de Hejnal, de wekroep, dan gespeeld. Want ook 's nachts klinkt het signaal ieder uur vier keer (verbaasde buitenlanders doen bij de gemeente nog wel eens hun beklag, dat er iemand midden in de nacht trompet zit te spelen en waarom de overheid daar niets aan doet).

De Hejnal klonk 755 jaar geleden voor het eerst in zijn huidige, onaffe vorm. Volgens een oude legende probeerde de trompetter die zich in de Mariatoren had verschanst tijdens een mistige nacht in 1241 de poorters te waarschuwen voor de naderende Tataren. Voordat hij het signaal had kunnen voltooien werd hij door een pijl in zijn hals getroffen. Juist doordat de melodie zo plotseling afbrak, werd de bevolking van Kraków gewaarschuwd. De stadspoorten werden gesloten en de Tataren werden uiteindelijk verslagen. Ter nagedachtenis aan deze dappere muzikant wordt zijn wijsje sindsdien gespeeld tot het moment waarop hij zijn laatste adem en daarmee zijn laatste noot uitblies. Eerst alleen 's morgens en 's avonds, daarna ook 's middags en nu dus ieder uur. Alleen in 1939, het eerste oorlogsjaar, werd de Hejnal door de Duitsers verboden.

“Ik beschouw het als een grote eer om dit werk te mogen doen,” vertelt Daniel. “Ik doe het nu sinds twaalf jaar. Normaal zijn we altijd met zijn tweeën, maar mijn collega is met vakantie. Nu moet ik dus ieder uur op tijd wakker worden. Soms ben ik wel eens een beetje te laat maar daar heeft nog nooit iemand over geklaagd.”

Volgens Daniel weet niemand precies waar de melodie vandaan komt. En het oorspronkelijke einde is al lang in de nevel van de geschiedenis verdwenen. “Sommigen beweren dat het een fragment is van een oud kerkgezang,” zegt hij. “Anderen zeggen dat het van oorsprong een populair Hongaars deuntje is, maar daar is door de 'gedragen' manier waarop we het spelen niets meer van te horen. De Hejnal duurt ongeveer één minuut. Maar ik speel hem nu wel wat sneller, want het is zo ontzettend koud voor het open raam.”

Hoewel Daniel de Hejnal al vele honderden keren heeft gespeeld, maakt de eenvoudige melodie nog steeds indruk op hem: “Vooral die laatste noot. Daarin probeer ik extra emotie te leggen. Het is niet zomaar een signaaltje dat je speelt, het is echte muziek. Als je daar met je trompet voor het open raam staat, ben je een uitvoerder, je mag je hele persoonlijkheid in die noten leggen. Wanneer ik vrolijk ben, speel ik hem anders dan wanneer ik verdrietig ben. De meeste mensen zullen dat waarschijnlijk niet merken. Maar mijn collega's horen het heel goed. Als ik vrij ben en om twaalf uur naar de radio luister, hoor ik aan de intonatie wie er aan het spelen is.”

We moeten het gesprek onderbreken. Het is vijf voor twaalf en Daniel maakt zich op voor de middag-hejnal. Dat is een bijzondere, want die wordt dagelijks rechtstreeks uitgezonden via de Poolse radio. Daartoe zit in de nok van de toren een enorme toeter, die nog het meest lijkt op een luidspreker van een oude grammofoon. De toeter, zo te zien gemaakt van bakeliet, wordt nog steeds gebruikt als microfoon en werd in 1924 geleverd door de firma Marconi.

Ik ben achtergebleven in het stikhete hokje, dat wordt beheerst door twee grote klokken die pontificaal op de televisie staan. Ik zie hoe Daniel voor de gelegenheid zijn pet opzet en zijn gezicht in een ernstige plooi brengt. Hij loopt nerveus rond in de toren en blaast, in afwachting van het radiosignaal, een paar nootjes om zichzelf warm te spelen. Dan laat hij de torenklok twaalf keer slaan, pakt zijn trompet, zet een raampje open en blaast de Hejnal. Eerst in zuidelijke richting naar de Wawel, de heuvel met het paleis van de vroegere Poolse koningen.

Daniel speelt beslist niet wat er genoteerd staat op het schamele partituurtje dat ingelijst aan de muur hangt. De noten kloppen, maar het ritme is totaal anders. “Een keer per jaar komen we bij elkaar,” zegt hij na afloop, als ik hem ernaar vraag. “De laatste keer zijn we, samen met een professor, tot een nieuwe interpretatie gekomen. Persoonlijk vind ik het mooier zo, iets vrijer.”

Gelooft hij eigenlijk in de legende? “Er is altijd wel iets waar van een legende. Misschien dat de Tataren tijdens hun aanval een trompetter hebben geraakt in een van de torens van de stadsmuur. Maar die kan nooit in de Mariatoren hebben gezeten. Want zelfs de beste boogschutter kan onmogelijk van buiten de stadsmuur deze toren bereiken met zijn pijl.”