Cito-toets (3)

Bij de uitlatingen van het CITO zijn wel wat kanttekeningen te plaatsen. Het CITO is een instituut, dat zich zo volledig heeft vastgebeten in toetsen, dat het heel duidelijk het zicht op wat aan het toetsen voorafgaat, is kwijt geraakt.

Bovendien maakt de woordvoerder van het CITO zich schuldig aan een klassieke denkfout. De basisvorming wordt afgesloten met zogenaamde eindtoetsen, door het CITO opgesteld. Nu de resultaten niet overeen blijken te komen met de verwachtingen, wordt één van de voor de hand liggende oorzaak hiervan - de toetsen deugen niet - niet eens bekeken! Een andere oorzaak, namelijk dat het hele idee van de basisvorming veel rooskleuriger was dan de uitwerking in de praktijk, is ook al niet erg aantrekkelijk.

Bij een vak als Nederlands, dat volgens de principes van de basisvorming voor een groot deel dient te bestaan (en meestal ook bestaat) uit het bijbrengen van vaardigheden als schrijven, luisteren en spreken, is de hele afsluitingstoets niet meer dan een veertigtal meerkeuzevragen bij een aantal teksten over criminaliteit. Het CITO gaat er gemakshalve maar aan voorbij, dat de basisvorming méér hoort in te houden dan het bijbrengen van de minimumstof en dat die dan ook nog volledig getoetst zou worden.

Maar de brutaliteit van het CITO is vervat in de tweede uitspraak. Het CITO heeft zich in de afgelopen twintig jaar een sleutelpositie weten te verwerven in de advisering van de leerlingen die van de basisschool naar het voortgezet onderwijs gaan. Steeds meer is in de praktijk van de basisschool de CITO-toets het centrale criterium geworden, waarvan afwijken slechts met goede argumenten mogelijk kon zijn. Als het CITO nu beweert, dat er de afgelopen tijd niet goed is geadviseerd is dat voornamelijk veroorzaakt door het apodictisch karakter van de score van de CITO-toets.

    • R. Hamburger Dordrecht