Cito-toets (2)

In de krant van 17 februari werd melding gemaakt van een CITO-onderzoek waaruit bleek dat in het voortgezet onderwijs een kwart van de MAVO-leerlingen ten minste hetzelfde niveau bereikt als de gemiddelde VWO'er.

Naar een reden daarvoor hoeft men niet ver te zoeken. Bij de selectie aan het einde van de basisschool speelt namelijk de jaarlijkse CITO-toets een belangrijke rol. In een artikel in deze krant van een paar weken geleden werden hierover een opmerkelijke cijfers genoemd. Een bij deze toets behaald aantal punten van 526 was goed voor een VBO-advies, 532 punten kwalificeerde voor MAVO, 539 punten voor HAVO en 546 punten voor VWO. Dus een verschil van minder dan 4 procent van het puntentotaal maakt uit of men een VBO of een VWO-advies krijgt. Het is duidelijk dat men aan dergelijke kleine verschillen niet zulke belangrijke consequenties mag verbinden. Men moet immers verwachten dat door allerlei toevallige omstandigheden heel wat leerlingen aan de verkeerde kant van de streep terecht komen. Weliswaar kan dit door het schooladvies nog enigermate geredresseerd worden, maar of dit ook gebeurt is de vraag en de kiem voor het verkeerde advies is dan toch al gelegd. Men zou dus eens kunnen beginnen de toets op dit punt bij te stellen, voor zover men tenminste überhaupt met dit soort toetsen wil werken.

    • A. van der Sluis