Amerikaanse 'steun' was een schadelijk misverstand

Kon de Nederlandse regering eind jaren vijftig rekenen op steun van de Verenigde Staten voor haar koloniale Nieuw-Guineabeleid? Minister Luns zei van wel, en maakte zich daarmee mogelijk schuldig aan misleiding, betoogde J.L. Heldring (9 januari). De historicus Albert E. Kersten nam het voor Luns op: Nieuw-Guinea was niet diens 'privé-domein'. Lambert Giebels en J.L.R. Huydecoper zijn het niet met hem eens.

Prof. A.E. Kersten bouwt een betoog op aan de hand van wat Heldring in januari schreef over twee maaltijden die aanleiding gaven tot fricties tussen Nederland en de Verenigde Staten. Hij trekt een parallel tussen misverstanden over het Nieuw-Guineabeleid na een diner bij Van Roijen in oktober 1958 en over de kandidatuur van Lubbers voor de NAVO na een lunch in 1995. In beide gevallen werd van Nederlandse kant meer op het gebied van gegeven “toezeggingen” gehoord of begrepen dan in feite van Amerikaanse kant was gegeven en/of bedoeld.

Kersten gaat daarna met name door over de gevolgen van de eerste maaltijd en de consequenties daarvan voor het Nieuw-Guineavraagstuk. Of daarbij, naast de later met toestemming van Dulles door ons gepubliceerde verklaring van de Amerikanen, ook nog een papiertje is overhandigd, is in dit verband nu van minder belang. Immers, dit document is nimmer meer voor de dag gekomen en niemand weet dus met enige zekerheid wat daarin zou hebben gestaan. Wat Kersten daarna stelt is echter heel verwarrend. Volgens hem heeft Luns in die ontmoeting inderdaad toezeggingen van Dulles gekregen. In hetzelfde verband haalt hij evenwel een volzin van Dulles aan: “We are not in a position to make advance statements”. De Verenigde Staten meenden dat geen geweld mocht worden gebruikt om territoriale wijzigingen tot stand te brengen en hadden die opvatting ook steeds met kracht aangegeven.

Die stelling gold net zo goed voor Taiwan als voor Nederlands Nieuw Guinea. Dat de VS een krachtig standpunt konden innemen was ook in Libanon en in verband met de Straat van Formosa bewezen. Dit alles interpreteerde Luns daarna als toezeggingen voor meer dan morele steun. Maar wat voor toezeggingen waren dat dan? Wat Dulles gaf, was niet meer dan een verklaring van beginselen van de Amerikaanse regering over het onaanvaardbaar karakter van gebruik van geweld om grenzen te wijzigen. Maar dat omvat nog geen toezeggingen, en zeker niet als daarbij tegelijkertijd wordt gezegd dat geen “advance statements” worden gemaakt. Wat gaf daarin aanleiding tot het verwachten van meer dan morele steun? En waarop steunt Kerstens opvatting dat Luns en Dulles elkaar op die avond zo goed zouden hebben begrepen?

Luns heeft steeds gepoogd te doen geloven dat hij concrete steun van de Amerikanen had toegezegd gekregen. Nog op 16 augustus 1962, dus nadat het akkoord met Indonesië was getekend, zei Luns in een interview met Hiltermann dat pas in het voorjaar van 1962 de Nederlandse regering de overtuiging had verkregen dat op militaire bijstand van de Amerikanen niet meer te rekenen viel. Als er al een toezegging van Dulles was uit 1958, dan heeft die hoogstens betrekking gehad op logistieke hulp, en ook daarover wilden de Amerikanen zich niet nader uitspreken voordat van een werkelijke bedreiging sprake kon zijn. Ook Dulles heeft steeds negatief gereageerd op pogingen om een meer concreet beeld te krijgen van wat dan misschien onder logistieke steun zou worden verstaan.

Ergo: van militaire bijstand is nooit sprake geweest en logistieke steun is nooit meer geconcretiseerd maar alleen geopperd als een eventuele toekomstige mogelijkheid. Of daarbij al of niet een papiertje een rol heeft gespeeld heeft hier niets mee te maken. Dit alles ging bovendien alleen over de periode tussen oktober 1958 en het aantreden van de regering-Kennedy in het begin van 1961. Kennedy c.s. hebben zich direct van enigerlei mogelijke toezeggingen van Dulles gedistantieerd.

Bij het vaststellen van ons Nieuw-Guineabeleid in de periode waarom het hier gaat - dus in de periode waarin het, zoals Heldring dat omschrijft, ging om “de toekomst van de hele bevolking, de Papoea's, en om leven of dood van Nederlandse en Indonesische militairen” - was alles wat Dulles dan eventueel op aandringen van Luns in die bibliotheek van de Nederlandse ambassade in oktober 1958 zou hebben toegezegd, nadrukkelijk weer formeel ingetrokken.

Dat Luns dit in zijn gesprekken met Kennedy, Rusk en andere leden van Kennedy's regering in april 1961 niet heeft gehoord of begrepen is stellig van invloed geweest op het Nederlandse Nieuw-Guineabeleid vanaf dat tijdstip. Anderen die bij deze gesprekken aanwezig waren hebben dat destijds wel goed begrepen. Op dit punt isvan belang wat de journalist Ben Koster in de Amerikaanse archieven heeft gevonden, waaruit hij in zijn boekje Een Verloren Land (Baarn, 1991) aanhaalt uit een ambtelijk verslag van het gesprek tussen Luns en Rusk dat de Amerikaanse schrijver van dit stuk tot de conclusie leidt: “Minister Rusk maakte tijdens het bezoek van Luns volkomen duidelijk dat het onwaarschijnlijk is dat wij de Nederlanders steunen in geval van een militaire aanval van Indonesië op Nieuw Guinea... Dit was het belangrijkste resultaat van de gesprekken met Luns.”

Dezelfde Koster haalt later ook oud-minister Klompé aan die verklaard zou hebben “dat Luns selectief naar de Amerikanen luisterde en het kabinet onvoldoende informeerde”. In mijn beschrijving van die gesprekken uit april 1961, die ik gaf in mijn boek over het Nieuw-Guineavraagstuk van 1990, heb ik evenzeer aangegeven hoe wij vanuit de ambassade in Washington toen met Luns in de analyse van het ons verklaarde verschilden. En in de periode-Kennedy begonnen de donkere wolken rondom Nieuw Guinea juist steeds meer samen te trekken. Dat niettemin Luns erin slaagde om het Nieuw-Guineabeleid tot een jaar later in Nederland te laten bezien vanuit de optiek der vermeende toezeggingen van hulp die hij van Dulles zou hebben gekregen, was van veel groter invloed op onze positie dan de vraag of er in oktober 1958 wel of niet een Dulles-papiertje heeft bestaan.

In verband met dit laatste mag misschien nog worden opgemerkt dat, anders dan de kop van het artikel van Kersten wil doen geloven, Luns wel degelijk een doorslaggevende invloed had op het beleid met betrekking tot het Nieuw-Guinea-vraagstuk, ondanks het feit dat dit beleid, met name de laatste maanden, praktisch volledig werd gesteund door het kabinet. Luns paarde een overtuigend betoog aan een zorgvuldig gecontroleerd voorlichtingsbeleid, waardoor hij slechts zelden moeite had de leden van het kabinet achter zich te krijgen. Herhaaldelijk werden, zoals ook de voorgaande aanhaling van woorden van mejuffrouw Klompé bevestigt, telegrammen en dergelijke aan de leden van de regering onthouden. Ook hoge ambtenaren van andere Nederlandse ministeries die ons in die tijd kwamen bezoeken bevestigden ons, dat “hun” ministers praktisch geen telegrammen meer te zien kregen. Het kabinet nam genoegen met een mondelinge uiteenzetting over de lopende politiek van Luns' zijde in de kabinets-zittingen. Weliswaar deelde het kabinet daardoor de verantwoordelijkheid voor het resulterend beleid maar dat nam niet weg dat het eigenlijke beleid niettemin toch in feite het resultaat was van door Luns uitgestippelde richtlijnen en de daartoe door hem voorgekookte noodzakelijke achtergrond-informatie. Maakte dit het beleid tot zijn privédomein, zoals het artikel van Kersten vraagt, en maakte dit hem wel of niet kandidaat voor de rol van zondebok, zoals de schrijver zich afvraagt?

Ten slotte: de dagboeken van De Quay hebben aangetoond hoe de minister-president in toenemende mate ging twijfelen over de manier waarop Luns berichten doorgaf of hoe hij uitvoering gaf aan de beslissingen die de regering had getroffen. De minister-president liet dit naar mij voorkomt ook bijvoorbeeld blijken door Luns te doen vergezellen door twee ministers toen hij ten slotte aan de delegatie in New York telefonisch de machtiging moest overbrengen om het akkoord te ondertekenen. Minister Zijlstra vermeldt dit voorval in zijn memoires maar geeft daar als motief dat dit het belang van de beslissing zou hebben moeten demonstreren. Voor ons die aan de andere zijde van de telefoonlijn zaten werd echter terstond duidelijk wat de ware achtergronden van deze aanwijzing van De Quay waren.

    • J.L.R.A. Huydecoper