Academisch talent wenst onderdak

Op dinsdag 27 februari organiseert de KNAW een symposium over het onderwerp 'Loopbaanbegeleiding bij de Nederlandse universiteit'. Plaats: Het Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam. Aanvang: 14.00 uur.

De generatiestrijd van de jaren zestig aan de Nederlandse universiteiten is inmiddels wel geluwd, maar heeft plaatsgemaakt voor een nieuwe generatiekloof. Niet een ideologische kloof die met veel geschreeuw gepaard gaat, maar wel een die ernstige gevolgen lijkt hebben voor het wetenschappelijk bedrijf.

Aan de ene kant staat de babyboom generatie, die in de jaren zestig massaal is gaan studeren. De universiteiten zijn daardoor snel en sterk gegroeid. De bomen leken tot in de hemel te groeien. Velen van deze babyboomers kregen banen in onderwijs en wetenschap om deze groei te bewerkstelligen. Aan de andere kant staat de 'lost generation'. Vanaf midden jaren zeventig werd Nederland geconfronteerd met economische moeilijkheden die de universiteiten niet onberoerd lieten. Voor uitbreiding was geen geld meer. Eerder werd er ingekrompen. Omdat de babyboomers bleven zitten waar ze zaten, kon er niemand meer bij. Dit probleem werd spoedig door de betrokken overheden onderkend en doorgeschoven naar de toekomst. Om het stuwmeer van jong talent op te vangen creëerde men het aio-stelsel: een systeem om toch nog zo veel mogelijk talentvolle afgestudeerden te laten promoveren, zij het dat ze tot een soort halve studenten gedegradeerd werden. Dat ging een tijdje goed, totdat enkele jaren later veel van deze aio's inderdaad gingen promoveren. Waarheen dit stuwmeer van veelbelovende jonge doctores af te voeren?

De oplossing was het post-doc stelsel. Veelbelovende jonge doctores konden een tijdelijke aanstelling krijgen om hun onderzoek voort te zetten en zich aldus verder voor te bereiden op een positie in de wetenschappelijke wereld. Dat ging weer een poosje goed. Maar inmiddels is ook een aantal van deze postdocs aan het einde van de rit en doet zich de vraag voor waar men met deze niet meer zo heel jonge, maar inmiddels hooggekwalificeerde onderzoekers heen moet. De eerste post-postdocs zijn al gesignaleerd.

Alleen: de betreffende instellingen hanteren een leeftijdsgrens van veertig jaar. De gedachte hierachter is dat een post-doc zich vooral voorbereidt op een vooraanstaande vaste plaats in de Nederlandse wetenschap, en dat men zo'n positie met veertig jaar toch wel moet hebben bereikt. Dat zou mooi zijn, maar de praktijk wijst op dit moment anders uit. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heeft de door haar ingestelde post-doc plaatsen ('akademieonderzoekers') uitdrukkelijk gekoppeld aan een garantie voor een vaste aanstelling van de zijde van de universiteiten. Uit het vorig jaar verschenen evaluatierapport blijkt echter dat dit systeem van garanties steeds verder wordt uitgehold. Steeds minder akademieonderzoekers krijgen na afloop een vaste baan. De KNAW heeft verder weinig mogelijkheden en ook de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de grootste financier op dit gebied, beperkt zich tot geld schieten. Een duidelijke visie op de toekomst van het stelsel ontbreekt.

Dit voor zich uitschuiven van de problemen dreigt nu nadelige gevolgen te krijgen: de universiteit vergrijst. De commissie-Vonhoff bevond in 1994 dat het wetenschappelijk onderwijs in de geesteswetenschappen wordt gedomineerd door docenten die tenminste twintig jaar geleden werden aangesteld. Niemand van de vaste staf was jonger dan dertig jaar. Het gemak waarmee deze mensen indertijd hun positie verwierven, en de vanzelfsprekendheid waarmee ze die sindsdien behielden, steken schril af tegen de vele selectieronden die de nieuwe generatie wetenschappers tot nu toe heeft overleefd. De commissie waarschuwde in haar rapport dat deze scheefgroei moet leiden tot een breuk in de continuïteit van de wetenschapsbeoefening.

In feite betekent het huidige systeem een grootscheepse vernietiging van intellectueel kapitaal. We hebben het over hoogopgeleide mensen waar de samenleving veel in heeft geïnvesteerd en die op velerlei manieren inzetbaar zijn. Het is niet verstandig deze mensen eindeloos in een veredelde wachtkamer te houden. Tot dusverre heeft men zich over deze problemen niet erg druk gemaakt. Het is hoog tijd dat het ad-hoc beleid van dit moment wordt vervangen door een visie op de wetenschapsbeoefening voor de middellange termijn. Daarbij zal niet alleen moeten worden gekeken naar een manier om het huidige stuwmeer nuttig te gebruiken, maar zullen ook de belangen van de volgende generaties in het oog moeten worden gehouden. Diep in hun hart zouden veel aio's en postdocs graag wat morrelen aan de posities van de zittende vaste staf. Periodieke verantwoording van het zittende personeel en een minimum aan flexibiliteit in hun arbeidsvoorwaarden bieden al gauw wat meer toekomstperspectief voor contractonderzoekers.

Onderzocht moet worden of de strikte scheiding zoals die is gegroeid tussen vaste staf en projectmedewerkers, of tussen docenten en onderzoekers, op een of andere manier valt te verzachten. Op dit moment is het zo dat de KNAW en NWO een beleid voeren, en de universiteiten een heel ander. Bij gelegenheid van de aanstaande reorganisaties van de universiteiten alsook bij de in gang zijnde oprichting van onderzoekscholen zouden universitair personeel en van buiten gefinancierde onderzoekers, tijdelijk of niet, op voet van gelijkheid moeten worden behandeld. Dit zou het elan bij de universiteiten terugbrengen. Het alternatief is een universiteit als een corps van docenten met een rafelrand van onderzoekers.

    • Rienk Vermij
    • Marc Wingens
    • Henk van der Velden
    • Frank Huisman