Verliefd

De veertienjarige Hasna en ik (34), wij kennen elkaar nu twee jaar, en begrijpen elkaar met een half woord. Dat halve woord heb ik haar geleerd, maar eerlijk is eerlijk, ook zonder woorden begrijpen wij elkaar heel goed en de blikken die zij mij toewerpt, zo veelzeggend, zijn haar eigen schepping. Het is een vrolijk meisje, dat veel praat, graag lacht en in is voor grappenmakerij; altijd is er in haar ogen die twinkeling van plezier, van anticipatie op wat ik nu weer ga zeggen.

“Wat een mooie hoofddoek heb je vandaag om Has, prachtige kleuren”, zeg ik als zij de klas binnenkomt en mij, als altijd, glimlachend tegemoet treedt, met toch die onderzoekende blik.

“Maar... ik moet zeggen, ik vond je haar ook altijd erg mooi,” voeg ik eraan toe - en zo kent Hasna mij. Ze lacht en trekt vervolgens een streng gezicht: “U moet niet liegen meneer Beekmans, u zegt altijd ik heb boomhaar.”

Het eerste jaar droeg Hasna nog geen hoofddoek, en vermaakte zij mij en de klas door haar lichtbruine haar, half kroezend, recht omhoog te trekken, dat dan ook zo bleef staan. Ergens tussen haar dertiende en haar veertiende, van meisje tot vrouw geworden, kwam zij plots met een hoofddoek op school, en sinds die dag heb ik haar 'boomhaar' niet meer gezien.

“Wij hebben mevrouw Dikker gezegd”, zegt Hasna nu, “maar zij zegt: daar weet ik niets van.”

“O?”

“Ja u doet niet goed meneer Beekmans, u moet zeggen tegen haar, vragen of zij meegaat naar bioscoop.”

“Maar wat moet ik dan tegen haar zeggen?”

“U vindt haar leuk.”

Ik haal even diep adem. “Dat durf ik niet.”

Dat ik dat niet durf, daarom maakt Hasna zich bijzonder lustig. De andere bakvissen uit deze klas staan inmiddels ook om mij heen, stoten elkaar aan (“Meneer Beekmans durft niet zeggen!”) en lachen mee. Maar Hasna voert het woord.

“U hoeft ook niet zó zeggen”, legt zij mij uit. “U kunt ook anders zeggen. Waarom koopt u niet mooi cadeautje voor haar?”

“Maar dat kost geld!”

“Gierige Nederlander!” roept Hasna lachend. “U kunt niet met vrouwen zijn zo gierig meneer Beekmans. U moet cadeautje kopen.”

“En dan óók nog de bioscoop betalen?”

“Als u zo praat mevrouw Dikker gaat nooit met u mee naar bioscoop”, zegt ze, bijna moedeloos.

“Je hebt gelijk”, zeg ik. “Ik hèb zelfs al een cadeautje voor mevrouw Dikker gekocht.”

Dat maakt de meisjes nieuwsgierig. Wat heb ik dan gekocht?

“Nou ja, dat kan ik toch niet zeggen... Het was een cadeautje voor mevrouw Dikker, niet voor jullie.”

Maar Hasna is niet voor één gat te vangen. “Meneer Beekmans, als u wil dat wij helpen, u moet ons ook zeggen.”

Ik kijk Hasna lang aan. “Het was een tandenborstel.”

Het is waar. Na het schoolreisje heb ik voor mevrouw Dikker een tandenborstel gekocht omdat ik de mijne vergeten was en de hare die paar dagen mocht gebruiken. Maar dat vertel ik er niet bij. “Het leek mij een leuk cadeautje”, zeg ik, “en het is erg nuttig, toch?”

Het duurt een paar minuten eer Hasna en haar vriendinnen zijn uitgelachen. “Meneer Beekmans u doet helemaal verkeerd.”

“Maar Hasna”, zeg ik, “het is toch een probleem dat mevrouw Dikker al een vriend hééft, niet? Kijk, ik kan nu nog wel meer dure cadeautjes kopen, maar ik heb eigenlijk weinig hoop.”

“Meneer Beekmans, u zegt u bent verliefd?” vraagt Hasna mij nu. Daar kan ik niet onderuit - want dat heb ik gisteren opgebiecht. Aan het eind van het uur rende het hele zooitje naar mevrouw Dikker toe, om haar dit nieuws mede te delen.

“Daar weet ik niets van”, was kennelijk haar lauwe - of afwachtende? - reactie. Hasna nu, beslist: “Ik heb haar vriend gezien. Hij is kleine man en lelijk. U bent beter.”

Hasna ziet dat ik nog niet overtuigd ben. “Vriend is niet belangrijk!” vervolgt zij. “Veel vrouwen hebben een vriend, maar willen toch ook met andere man.”

“Maar ik geloof dat mevrouw Dikker heel gelukkig is met haar vriend”, werp ik nog tegen.

“Hoelang heeft zij al deze vriend?” wil Hasna nu weten.

“Drie, vier jaar misschien.”

“Dat is oude vriend!” zegt Hasna. “U wordt nieuwe vriend. Zij heeft twee vrienden, oude vriend en nieuwe vriend. Met nieuwe vriend gaat zij naar bioscoop, nieuwe vriend koopt cadeautjes en hij zegt haar veel complimentjes. Zo is leuk voor u en ook voor mevrouw Dikker.”

Dit keer ben ik het die in de lach schiet. “Wat jij bedoelt te zeggen Hasna, is dat mevrouw Dikker mij als minnaar erbij zou moeten nemen.”

Ze knikt. “Minnaar. Ja.”

“Hasna... Je bent veertien jaar. Hoe kan je deze dingen zeggen?”

Hasna lacht. De Pakistaanse Zarthasha roept: “Ja, u moet worden minnaar van mevrouw Dikker!” De meisjes moeten elkaar vasthouden om niet om te vallen.

“Nou, als jullie het goed vinden... Mij lijkt het eigenlijk ook wel een goed idee”, geef ik toe.

“Wij moeten zeggen tegen mevrouw Dikker?” vraagt Hasna gretig.

“Maar zij heeft nu les”, zeg ik.

Hasna maakt een gebaar waaruit blijkt dat les niet belangrijk is. Zij heeft gelijk. “Goed, ga maar zeggen.”

En daar gaan ze, de vijf vriendinnen, één en al opwinding, op liefdesmissie. Vijf, zes minuten later zijn ze terug.

“En?” vraag ik hoopvol.

“Mevrouw Dikker zegt: meneer Beekmans is gek”, zegt Hasna lachend.

“Heb je dan niet gezegd dat het jullie idee was?”

Hasna schatert het uit.

    • Kees Beekmans